*

 

Balkenende handelt in de geest van Durk

Hans Goslinga − 25/01/03, 00:00

Na de historische verkiezingszege in 1977 was de PvdA zo overmoedig dat politiek leider Den Uyl meteen als formateur aan de slag ging om zijn tweede kabinet in elkaar te zetten. Dat kabinet vloeide zo logisch voort uit de uitslag, dat niemand tegen een voortvarende aanpak bezwaren opperde. In de top van de CDA-fractie trok slechts één lid zijn wenkbrauwen op. Het was Durk van der Mei, een man die bedaardheid en conservatisme uitstraalde en, zacht gezegd, niet bekend stond als een socialistenvriend. Hij behoorde tot de christelijk-historische vleugel van het CDA, die bij de vorming van het eerste kabinet-Den Uyl hardhandig door de socialisten buitenspel was gezet. Toen Ed van Thijn, die in de formatie voor de PvdA-fractie de onderhandelingen voerde, enkele jaren later van een christen-democraat vernam dat Van der Mei zich tegen het formateurschap van Den Uyl had verzet, reageerde hij niet verbaasd: 'Nogal wiedes, die rechtse Van der Mei moest niets van ons hebben'. Dit feit bevestigde alleen maar zijn indruk dat het CDA het tweede kabinet-Den Uyl niet wilde en de boel van begin af aan traineerde. Zijn gesprekspartner schudde zijn hoofd: 'Je begrijpt het niet, Ed. Van der Mei vond dat Den Uyl veel te grote risico's nam door meteen als formateur aan het werk te gaan'.

Zo kreeg Van Thijn alsnog te horen dat en waarom Van der Mei als enige in de CDA-top voor een andere lijn had gekozen. Ook Durk vond dat de verkiezingsuitslag in één duidelijke richting wees: een tweede kabinet-Den Uyl. Er was weliswaar nog een alternatief mogelijk, een kabinet van CDA en VVD, maar dat moest buiten beeld blijven, omdat het niet in lijn lag met de kiezersuitspraak. Juist daarom, betoogde Van der Mei, moest Den Uyl geen formateur worden. Bij alle kwaliteiten die hij had, formeren kon hij niet. Het was verstandiger dat de PvdA een informateur naar voren zou schuiven, iemand met gezag die ook bij de christen-democraten vertrouwen zou wekken. Den Uyl moest pas als formateur op het toneel verschijnen als inhoudelijk alles was geregeld. Bij het horen van dit relaas rolden bij Van Thijn de ogen bijna uit hun kassen, want het was duidelijk dat Van der Mei het goed had gezien. Den Uyl liep als formateur keer op keer vast om uiteindelijk stuk te lopen. 'Dat Durk zich zo opstelde, heb ik nooit gehoord', stamelde Van Thijn, waarop zijn gesprekspartner Joop van Rijswijk, die de geschiedenis vastlegde in zijn boek 'Repeterende breuken', antwoordde: 'Je had er toen ook geen belangstelling voor'. Daar heb je gelijk in, beaamde Van Thijn.

Het verhaal laat zien hoe diep de sociaal-democraten in die tijd het CDA wantrouwden en hoe groot de vooroordelen tegen personen waren. De verhouding is nu beter maar de ressimenten zijn er nog altijd. Het verhaal toont ook aan dat het in een formatie onverstandig is te hard van stapel te lopen, zelfs al spreken de kaarten die de kiezers hebben gelegd duidelijke taal (wat in ons politieke bestel zelden het geval is). Dat relativeert dus de oproep van de jonge PvdA-aanvoerder Bos aan CDA-leider Balkenende om snel duidelijk te maken welke kant hij op wil. Bos zou eens moeten omzien naar de formatie van 1994, toen de PvdA in de positie verkeerde het initiatief te nemen. Die formatie nam 111 dagen in beslag en pas op dag 86 maakte de voorzichtige PvdA-leider Kok een keuze tussen de christen-democraten en de liberalen. Balkenende hoeft zich door de PvdA dus niet te laten opjagen. Het is verstandig in de geest van Durk eerst een informateur de wei in te sturen, die verkent welke coalities er mogelijk zijn. Dat is de derde les uit het verhaal: het onwaarschijnlijke kan op een moment waarschijnlijk worden.

In dat licht kan het geen kwaad op de mogelijkheid van een derde paarse coalitie te wijzen. De meerderheid van PvdA, VVD en D66 samen is dan wel de kleinst denkbare, maar Van Agt en Wiegel hebben na 1977 laten zien dat je daarmee kunt regeren. Daarbij past wel de aantekening dat hun kabinet weinig daadkracht kon ontwikkelen. Van het opruimen van de 'puinhopen van Den Uyl' kwam niets terecht. Het tekort op de begroting liep zelfs nog verder op en de puinruimers leenden op gegeven moment meer geld dan ze afbetaalden, zodat ze echt op de pof van de volgende generatie leefden. Pas enkele jaren later was Lubbers in staat een kabinet met de VVD te vormen, dat politiek hecht en sterk genoeg was om het tekort aan te pakken. Zo vreemd is het dus niet dat Balkenende aarzelt over samenwerking met de PvdA. Hij beschikt met die partij wel over een ruim draagvlak in het parlement, maar niet minder relevant is de vraag of zo'n kabinet politieke slagkracht kan ontwikkelen om het probleem van de staatsschuld (hoe betalen we straks de vergrijzing?) aan te pakken.

In de verkiezingscampagne is duidelijk geworden dat er bij de PvdA nogal wat valse lucht zit in de dekking van haar beleid. Dat is wel te verklaren. De lijn van financiële soliditeit die Kok en Melkert trokken, brak weliswaar het beeld af van de socialisten als potverteerders, maar vroeg zoals het afgelopen jaar is gebleken een hoge electorale prijs. Aan het begin van de jongste campagne leek de SP van Jan Marijnissen zelfs in staat de PvdA op te vreten. Voor Bos was het een zaak van overleven het oude PvdA-profiel van eerlijk delen weer scherp te trekken. Dat is hem gelukt: genoeg leuke dingen voor linkse mensen om de SP als serieuze concurrent onschadelijk te maken; maar wie zal dat betalen? De PvdA heeft die getallen met een potloodje geschreven. Dat Balkenende nu eerst een informateur het veld in wil sturen om naast de programma's ook de boekhouding van de partijen eens door te lichten, is meer dan begrijpelijk. Hij zou wel gek zijn om zich nu al tot een keuze te laten dwingen. In de geest van Durk is het wijs even de tijd te nemen.

mailIcon print |