Het is weer onrustig aan het euthanasiefront en zoals gebruikelijk verschilt men grondig met elkaar van mening. Tegenover de roep om meer vrijheid staat de eis tot strengere controle; de zorg om onbeheersbare ontwikkelingen verhindert niet dat met voldoening wordt gesproken over wat Nederland de wereld toont.
Ook de voorstanders van hulp bij zelfdoding weren zich. Een maand geleden werd de oprichting bekendgemaakt van de Stichting Vrijwillig Leven (SVL), een enigszins orwelliaanse naam voor een club die vrijwillig sterven wil bevorderen. Zolang de wet het verbiedt wil men mensen met een serieuze doodswens met adviezen terzijde staan, maar het uiteindelijke doel is een wet die verstrekking van dodelijke medicijnen mogelijk maakt.
In dezelfde week kwam de voorzitter van het college van procureurs-generaal, mr. J. de Wijkerslooth, pleiten voor meer toezicht op terminale sedatie, medisch ingrijpen waarbij de patiënt op kunstmatige wijze in een bewusteloze toestand wordt gebracht en hem vocht en voedsel wordt onthouden. Het doel is lijden verlichten, het resultaat een kortere stervensfase.
De Wijkerslooth heeft er geen moeite mee dat de arts op deze wijze ondraaglijk lijden in een late levensfase tracht te bestrijden, maar hij merkt terecht op dat de patiënt door deze medische interventie eerder zal overlijden. Wat hem 'ongerijmd' voorkomt, is dat gevallen van terminale sedatie niet onder de euthanasiewet vallen, dus niet worden gemeld en evenmin op zorgvuldigheid gecontroleerd. Hij wil daarom enige vorm van controle via het strafrecht of toetsingscommissie.
De reacties waren boeiend. Zoals viel te verwachten werd van diverse kanten gewaarschuwd tegen verdere juridisering van het medisch handelen, het meest beeldend door VVD-kamerlid Griffith: 'Het OM moet niet naast de patiënt in bed gaan liggen', een standpunt dat in de Kamer een meerderheid heeft gevonden.
Natuurlijk had ook de artsenorganisatie KNMG bezwaren, maar wél werd toegegeven dat in sommige gevallen de arts met de toepassing van terminale sedatie inderdaad een snellere dood beoogt, dat wil zeggen een 'vrije' vorm van euthanasie toepast, buiten de wet om. Ook een andere euthanasiedeskundige gaf toe dat dit 'in een enkel geval' gebeurt, geen reden dus voor zwaar juridisch geschut.
Het spreken over een enkel geval of sommige gevallen klinkt geruststellend maar het valt op dat uit dezelfde hoek de gedachte werd geopperd de medische beroepsgroep te verzoeken voor deze kwestie met specifieke richtlijnen te komen en bijvoorbeeld raadpleging van een onafhankelijke collega voor te schrijven. Er is dus wel degelijk iets aan de hand.
Sterker nog: dat was bekend want wetenschappelijk aangetoond. In mei van dit jaar verscheen een rapport over de euthanasiepraktijk in ons land gebaseerd op een zeer uitgebreid onderzoek naar de toedracht van 5000 sterfgevallen. Daarbij werden voor het eerst gegevens verzameld over terminale sedatie, die inderdaad in niet minder dan vier tot tien procent van de sterfgevallen werd toegepast.
In de helft van deze gevallen was bespoediging van het levenseinde een van de doeleinden geweest. Bij 21 procent was een snellere dood uitdrukkelijk de bedoeling, reden voor de onderzoekers om deze gevallen als 'euthanasie' te classificeren.
Een van de onderzoeksleiders, de hoogleraar Gerrit van der Wal, heeft in deze krant toegegeven niet precies te weten hoe deze resultaten moeten worden beoordeeld. Hij vermoedt dat terminale sedatie onder meer wordt toegepast in kringen waar euthanasie niet is toegestaan. Of meer in het algemeen artsen op deze wijze de euthanasiewet trachten te omzeilen, wil Van der Wal niet op voorhand aannemen: 'Maar mocht dit wel zo zijn, dan hebben we een nieuw probleem. Alleen al omdat deze sterfgevallen niet worden gemeld, zodat toetsing ook niet mogelijk is' (Trouw, 24 mei).
Ziehier het 'nieuwe probleem' dat kennelijk de aandacht van De Wijkerslooth heeft getrokken: moedwillige levensbeëindiging, niet 'soms' of 'een enkele keer', maar frequent en zonder motief. Een zaak die opgewekte kamerleden dus maar niet te vlot opzij moeten schuiven en die de medische wereld maar beter serieus kan nemen.
Maar laten we het hoofddoel van het onderzoek niet uit het oog verliezen: inzicht verschaffen in de praktische werking van de euthanasiewet en vooral in het effect van de nieuwe toetsingsprocedure waarbij de arts meldingen van levensbeëindiging niet meer aan justitie ziet voorgelegd maar aan een tussengeschoven toetsingscommissie kan rapporteren.
De verwachting was dat de betrokken artsen minder koudwatervrees zouden tonen. Het onderzoek bevestigt die verwachting: in 1995 werden 41 procent van de gevallen gemeld, in 2001 was dit 54 procent. Maar de vooruitgang blijft bescheiden: ondanks de nieuwe waarborgen verzuimt bijna de helft van de artsen gevallen van euthanasie te melden. Van der Wal omschrijft de voornaamste reden zowel laconiek als huiselijk: 'Geen zin, geen tijd, geen puf voor het papierwerk'.
Dat kan in deze zaak onmogelijk het laatste woord zijn. Het onbekende grijze gebied in de gezondheidszorg dat de onderzoekers hebben aangewezen en dat De Wijkerslooth aan het denken heeft gezet, zal nauwkeurig in kaart moeten worden gebracht. Want van tweeën een: ofwel missen al te veel artsen de 'puf' om zich voor levensbeëindigend handelen te verantwoorden, dan wel deugt de euthanasiewet niet: te veel lacunes of onhanteerbaar in de medische praktijk. Het een noch het ander is aanvaardbaar.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.