*

 

Guerrillaoorlog

Koen Koch − 19/07/03, 00:00

Van de week zag ik een paar Amerikaanse soldaten op televisie. Ze maakten geen goede indruk. Ze waren boos omdat ze net gehoord hadden dat ze nog langer in Irak moesten blijven. Ze voelden zich bedreigd door de toenemende guerrilla-activiteiten. Ze hadden kritiek op hun president. Ze wilden gewoon naar huis, en ze spraken met zoveel woorden over hun vurige wens om op een nette manier gewond te raken. Dan zou voor hen immers de oorlog afgelopen zijn.

Hoe verschillend de uitrusting en de technologie ook mogen zijn, oorlog komt steeds op hetzelfde neer. Soldaten doden soldaten. Doodsangst en levensdrift botsen heftig. Verlangen naar het veilige thuis is er altijd. Soldaten bespreken met elkaar de aangenaamste manier van sterven, granaatsplinter, kogel van een sluipschutter of van een machinegeweer. In de Eerste Wereldoorlog droomde iedereen over een blighty wound, een verwonding die niet levensbedreigend was, maar toch ernstig genoeg om voorgoed naar huis gezonden te worden. Als zo'n heerlijke wond uitbleef, verwondde men vaak zichzelf. Als dat te opzichtig gebeurde, volgde de krijgsraad, met soms executie als triest slot. We zullen het allemaal in Irak weer meemaken.

De Amerikaanse regering geeft nu officieel toe dat zij in een guerrilla-achtige oorlog verzeild is geraakt. De oorlog in Irak in het voorjaar is dus niet met een klinkende overwinning beƫindigd, maar wordt met andere middelen voortgezet. Niemand heeft ooit getwijfeld aan het vermogen van de Amerikanen om Irak, Bagdad incluis, te bezetten. De machtsverhoudingen waren te ongelijk, de Irakezen wisten dat ze een vernietigende nederlaag zouden lijden als ze het op een rechtstreekse confrontatie zouden laten aankomen, en bedankten daarvoor hartelijk. De zwakkere partij resten twee instrumenten als ze de strijd tegen de sterkere wil voortzetten: terreur en guerrilla. Natuurlijk hoopte iedereen dat met de bezetting van Bagdad de oorlog afgelopen zou zijn. Maar dat blijkt nu, zoals de Amerikanen toegeven, ijdele hoop te zijn geweest. Er ontwikkelt zich in Irak een guerrilla-oorlog, zoals velen ook al voorspeld hebben.

De Nederlandse regering komt hierdoor in een moeilijk parket, juist natuurlijk ook omdat tot uitzending van meer dan duizend soldaten besloten is. Die uitzending berustte op de veronderstelling dat de oorlog afgelopen was en dat het er nu om ging de Irakezen in vrede te helpen een democratische en welvarende samenleving op te bouwen. Zelfs als men tegen de oorlog was, kan men zich door dit argument laten overtuigen. Maar de zaak ligt dus radicaal anders, zoals de Amerikanen deze week nadrukkelijk hebben verklaard. Nederland gaat deel uitmaken van een bezettingsmacht die een guerilla-oorlog moet voeren.

Het is een bizarre situatie. De Nederlandse regering weigerde militaire steun te geven aan de klassieke oorlog omdat daartoe het publieke draagvlak ontbrak, maar neemt deel aan de guerrilla-voortzetting ervan, met het niet meer geldige argument dat het gaat om een bijdrage aan vrede en democratie. Is door de regering vastgesteld dat er nu wel publiek draagvlak is voor deelname aan een guerrilla-oorlog?

Op typisch Nederlandse wijze wordt een parlementair debat over deze kwestie gefrustreerd. Zo'n debat zou immers ook de rechtvaardiging van de oorlog betreffen, en dus ook de geloofwaardigheid van Balkenende en De Hoop Scheffer, die ook hoog opgaven van de directe dreiging van Saddams massavernietigingswapens. Heel pijnlijk is het dat juist de D66'er Bakker, de leider van het parlementaire onderzoek over de politieke besluitvorming rond militaire uitzendingen, zich ontpopt heeft tot de kampioen van het verzet tegen een parlementair debat. Mijn sympathie gaat uit naar de mariniers die uitgezonden worden door politici die de morele moed missen om hun positie in het parlement te verdedigen.

mailIcon print |