*

 

De verkwikkende werking van een onmogelijke vriendschap

door Theo Nijland − 19/07/03, 00:00

Acht auteurs schrijven deze zomer een verhaal of betoog, satire of schotschrift naar aanleiding van een van de volgende zinnen: 'Ik neem het de zomer niet kwalijk dat hij weer is aangebroken' - 'Hier zit ik dan onder een boom, aan de oever van een rivier' - 'Pompom die dadieda, doooom, pierompie, talaaaa, hoeihoei' - 'Voorlopig, zegt de arts, is het niets ernstigs. Kleed u weer aan, rust uit, ga op reis'.

Vandaag Theo Nijland: ,,'Wir gehen', zei Yasmin. Duits kan een bevrijdende taal zijn. Op weg naar haar huis had Rashid opeens geen goed woord over voor de treurige salonsocialisten en zondagsdichters met wie we zo gezellig hadden zullen gaan eten. O, ik had de avond dus helemaal niet versjteerd? 'Morgenochtend', beval ik, 'vertrekken we om negen uur'. 'We zien wel Theo' zei Rashid op een manier die het ergste deed vermoeden.''

Het was een wonder. Rashid en ik naderden de Duitse grens, de zon in de rug en op schema. Meestal mislukten mijn pogingen hem van zijn keukentafel in Den Haag weg te lokken, maar nu reden we zomaar volgens plan richting Hamburg, Wagner schallend uit de autospeakers.

Eerst zouden we er een korte herdenking bijwonen van de juist overleden dichter Ahmed Shamlou, daarna overnachten bij Yasmin, een vriendin van Rashid, om de volgende ochtend vroeg door te reizen. We gingen namelijk kamperen. Ik, die absoluut niet van kamperen hou, had in een vlaag van naastenliefde bedacht dat het leuk zou zijn om het moeizame bestaan van mijn nieuwe Iraanse vriend te verlichten met iets recreatiefs: een kampeer-

vakantie in Oost-Duitsland.

Een jaar eerder ontmoetten wij elkaar op een prijsuitreiking. We waren beiden genomineerd. Had een van ons gewonnen, dan had hij de verliezer geen blik waardig gekeurd, zoals ik dat in het gedrag van de winnares bewaarheid zag. Nu waren Rashid en ik allebei 'losers'. We raakten aan de praat, vonden troost bij elkaar en werden die middag op slag vrienden. Hij, de knappe besnorde Pers met de omfloerste blik en ik, de rijzige Hollander, wij zouden samen de hemel bestormen.

Mijn vriendschap met Rashid had zo'n vliegende start, dat ik gerust van een wederzijdse verliefdheid kan spreken. Het betrof geen homoseksuele verhouding, maar een liefdesrelatie tussen twee mensen. Hij had na twaalf jaar in Nederland nog nooit wezenlijk contact met iemand gehad, behalve met de advocaat die zijn Iraanse verschrikkingen in een rapport optekende en de cameraman met wie hij zijn eerste, en laatste, korte film hier draaide. In mij vond hij na twaalf jaar een zielsverwant, een vriend, ongeveer van dezelfde leeftijd en ook met film bezig. Ikzelf had niet eerder iemand meegemaakt die zoveel schade had opgelopen, fysiek en geestelijk. Natuurlijk hadden we elkaar veel eerder moeten tegenkomen, nee ik had bij de grens moeten staan om hem meteen te omhelzen. Maar ik stond er niet. Vandaar de inhaalslag. Ik zou de spoken uit zijn hoofd verjagen en hem opnieuw tot leven wekken. Nacht na nacht haalden we door, vertellend en luisterend, met veel drank en sigaretten.

We reden Hamburg binnen en treiterden haar inwoners met een snoeihard Yeroushalaim Chel Zahav uit Schindler's List. Even later stonden we in onderbroek naast de auto met een keukenrol onze oksels te deppen, elkaar te besprenkelen met after-

shave en schone kleren uit de bagage te plukken.

Onberispelijk gekleed betraden we een halfgevuld zaaltje, met op een podium een verzameling verbannen dichters. Ze namen één voor één het woord, bewierookten de dode volkspoëet zonder enig gevoel voor timing en citeerden, volgens Rashid, voornamelijk uit eigen werk. Mijn maag knorde. Toen ik meende dat het einde van de zitting daar was, bleek die eigenlijk pas te beginnen met een explosieve publieksparticipatie.

Na zo'n twee uur zaten we in de aangrenzende bar. Rashid stelde mij voor aan Yasmin, bij wie we zouden overnachten - weinig vrouwen zijn mooier en eleganter dan mooie elegante Perzische vrouwen en ik meende meteen te zien dat ze het, al was Rashid daar vaag over geweest, met elkaar gedaan moesten hebben - en daarna aan alle anderen. 'De Theo, mijn vriend!' Iedereen schudde me de hand om daarna weer de aandacht op elkaar te richten. Gelijk hadden ze. Ik moet een weinig inspirerende gesprekspartner zijn geweest. Na de urenlange kako-fonie in het Farsi wilde ik alleen maar naar bed en de volgende dag kamperen! De dood van Shamlou bleek voor de Perzen in exil aanleiding voor een uitgebreid sociaal treffen, waarvan ik vreesde dat het nog heel lang kon gaan duren. Ik zag Rashid opleven. Hij had hier zijn reisdoel blijkbaar al gevonden.

Een maand na onze eerste kennismaking leek het me tijd om Rashid aan mijn vriendenkring voor te stellen. Hier is de ontheemde Pers. Hou van hem! Als Professor Higgins presenteerde ik mijn vinding. Mijn vrienden hielden van mij en reageerden dus kritisch. Wie is die man dan wel, met z'n Turkse snor en z'n heftige, onmodieuze sprookjesachtige manier van doen. In mijn, op dat moment overgevoelige, ogen en oren getuigden veel reacties van een verregaand onbegrip en natuurlijk werd er lustig, al dan niet positief, op los gediscrimineerd. Maar goed, onder mijn dwingelandij deed iedereen toch z'n best, al ontaardde een avond meestal in een potje taalpingpong, met alle verfijnde humor en 'understatement' van dien, waar een buitenstaander geen chocola van kan maken. Rashid kon om mij lachen zolang ik de taalbeperkingen aanvulde met oogcontact. Maar in groter gezelschap ontging de humor van ons Amsterdammers hem of kwam verkeerd bij hem aan. 'Volg dan eens een cursus Nederlands, idioot!' Nee, hij vond blijkbaar dat hij niks miste.

Ik wilde weg en wel meteen. Ik trok het niet meer. Dit hadden we niet afgesproken. Bovendien werd er geopperd dat we met de hele groep naar een restaurant zouden gaan. Omstanders vroegen me wat er- aan scheelde. 'Ich bin zu müde'. Ging ik niet mee? 'Nein, Ich kann nur schlafen'. Moe was ik inmiddels al helemaal niet meer, maar ik was nu eenmaal een weg ingeslagen en kon niet meer terug, ook al was me duidelijk dat deze niet-gepubliceerde, eenzame Iraanse dichters en schrijvers elkaar zelden zagen en dit een bijzondere gebeurtenis voor hen moest zijn. Yasmin nam het voor me op. Binnen een half-uur zou zij een bedje voor me maken. Ik schaamde mij diep en schoof terug op mijn kruk.

Hoe lang had ik, alle keren bij elkaar opgeteld, niet op

Rashid gewacht? Hij kwam nooit één, maar gemiddeld vijf uur te laat of kwam helemaal niet opdagen en belde pas de volgende dag, kwistig strooiend met 'Sorry Theo' en liefdesbetuigingen. 'Hoe kun je zo omslachtig leven, zo weinig to the point?' riep ik dan. En altijd smolt ik weer. Uit de

onderaardse kerkers, waarin hij soms dagenlang zijn geest liet dwalen, kon ik hem niet bevrijden. Dat kon alleen hijzelf. En dat kostte tijd. Veel tijd.

Een halfjaar eerder gingen we samen naar Istanbul waar hij zijn broer zou ontmoeten die hem, sinds Rashid door de geheime dienst van zijn bed was gelicht, niet meer had gezien. Ik zou zijn hand vasthouden, want het zou een emotioneel weerzien zijn. In de aankomsthal werd er gehuild. In zijn plaats zou ook ik zeker tien minuten in mijn broers armen hebben staan huilen, maar deze tranen stroomden twee, drie uur lang en de dagen daarna lieten de broers elkaar niet meer los. Ik heb die week alle bazaars, musea en moskeeën van de stad bezocht, in mijn eentje. Terug in het hotel kroop ik maar weer achter mijn boek om me af te sluiten voor het stemmengemurmel, dat elke nacht in een crescendo eindigde, gevolgd door een pijnlijke stilte. Toen de broer weg was, zei Rashid me dat hij helemaal gek van hem was geworden. De man was een treurig resultaat van twintig jaar onderdrukking. 'Waarom dan zo omslachtig', zei ik, 'ik had het na één avond al in de gaten'. 'Ik mag er toch wel een week over doen voordat ik m'n eigen broer afschrijf?' zei hij.

In de dagen die ons restten verloor ik Rashid steeds in het straatgewoel omdat hij met iedereen in gesprek raakte: zigeunerkinderen, taxichauffeurs, politieagenten, Turkse nationalisten. Ik wachtte op hem, las mijn krant en bekeek soms, bijna jaloers, van een afstandje hoe energiek en licht hij kon zijn, als een kind.

'Wir gehen', zei Yasmin. Duits kan een bevrijdende taal zijn. Op weg naar haar huis had Rashid opeens geen goed woord over voor de treurige salonsocialisten en zondagsdichters met wie we zo gezellig hadden zullen gaan eten. O, ik had de avond dus helemaal niet versjteerd? 'Morgenochtend', beval ik, 'vertrekken we om negen uur'. 'We zien wel Theo', zei Rashid op een manier die het ergste deed vermoeden. 'Nee, we gaan kamperen, we zijn op doorreis, weet je nog wel?!' Hoe bespottelijk ik me in Yasmins ogen moet hebben gedragen, toch toonde ze af en toe haar lichtverbaasde, vuurrode glimlach. Rashid moet van tevoren erg over mij hebben opgegeven: 'De Theo, de enige vriend dicht bij mijn hart. Ik hou van de Theo.'

Ik zal een klein uur hebben geslapen toen ik wakker werd van het gepraat in de keuken naast mij. Waar zouden ze het over hebben? Heimwee, familie, de geuren van het vaderland, het moeizame bestaan in den vreemde? 'Oké, niet zeiken, we zien wel'.

Vier uur. Er werd gelachen en er klonk muziek. Denk ook es aan mij, klootzak. Je wilt natuurlijk alleen maar met haar neuken.

Op een zwoele avond in mijn stadstuin zong hij een melancholisch lied voor een verdrietig gestemde vriendin van mij. Het miste zijn uitwerking niet. Ze kregen een vluchtige affaire, die volgens Rashid meer van haar uitging dan van hem. Ik zei dat híj was begonnen met zingen en dat híj, tegenover Nederlandse dames van over de veertig, daar nu eenmaal de consequenties van moest inzien. 'Ik zong omdat ze verdrietig was' zei hij onschuldig.

Meer vrouwen drongen zich, volgens Rashid, op aan de dichterlijke exoot. Van hen kreeg ik andere verhalen te horen, soms klaagzangen. Op een gegeven moment had ik er tabak van en geen zin hem steeds te moeten verdedigen. Ik verbood hem iedere intimiteit met mijn vrouwelijke kennissen. Hij schikte zich er schouderophalend in. Natuurlijk heb ik alle gevallen geanalyseerd, maar ik ben niet veel wijzer geworden. Zowel mannen als vrouwen met seksuele aandrang zijn niet te vertrouwen.

De maat was vol. Het was zeven uur in de ochtend. Als hij onze reis, die ik natuurlijk weer betaalde, wilde traineren, stond mij maar een ding te doen. Ik poetste mijn tanden, hees mij in m'n kostuum en ging reisklaar de keuken binnen. 'Ik ga naar het station.' 'Yasmin, es hat nichts mit dir zu tun, nur mit Rashid'. Ik zag ze met stomheid geslagen bij het aanrecht staan. Ze dronken thee uit grote mokken en lagen bepaald niet te neuken. Ik wist dat ik het mis had. Ze zaten daar hun levens te overpeinzen. Maar het kon me niet schelen. Het ging nu om mij, mijn gelijk, mijn waarheid, mijn tijd. Ik kwam voor mijzelf op. Ik had willen zeggen dat 't een grap was, dat ik ook thee wilde uit een mok en praten over míjn moeizame bestaan, maar ik kon niet meer terug. Ik smeet de voordeur achter me dicht en holde het trappenhuis uit.

Rashid haalde me op straat in, buiten adem. De zondagochtendstilte werd door onze stemmen aan flarden gesneden. Verwilderd zaten we tegenover elkaar in een coffeeshop, te zwijgen. Het wederzijds onbegrip viel niet onder woorden te brengen.

Rashid was trots. Zijn persoonlijkheid had tot de grond afgebroken moeten worden, maar dat was de ayatollahs zelfs na twee jaar martelen niet gelukt. Ook door een verlicht despoot uit Nederland liet hij zich niet ringeloren. Hij nam altijd zijn tijd. Ook voor mij trouwens als hij bij me was.

In de gevangenis had hij misschien wel een serum aangemaakt waarin tijd oploste, om er niet aan onderdoor te gaan, de oneindigheid van een verblijf in het duister.

We zaten nog niet voor onze tent, of de eerste wolk schoof voor de zon, wat het landshap nog grauwer maakte. Daarna liet de hemel al haar water vallen. Binnen het uur besloten we naar Nederland terug te gaan.

Tijdens de terugreis, terwijl ik nog ijverig een filmproject besprak waaraan we samen zouden gaan schrijven, zei Rashid plotseling heftig: 'Jij hebt het vertrouwdheid stuk gemaakt' en dat we elkaar even niet moesten zien. Het had tijd nodig.

Twee weken later belden we bijna gelijktijdig. We misten elkaar.

Binnenkort hoop ik naar Teheran te gaan. Rashid is er aan het filmen. Mijn vriend heeft zijn angst getrotseerd en is op het vliegtuig gestapt. 'Beter de ayatollahs mij kapot maken dan de klootzakken van het Nederlands Filmfonds!', riep hij. Hij heeft er inmiddels prijzen gewonnen. De invitatie vanuit Iran, die nodig is voor mijn visum, laat nog op zich wachten.

mailIcon print |