*

 

Een voorbeeldig leraar in Israël

Peter Tomson − 19/07/03, 00:00

In de nacht van dinsdag op woensdag 16 juli, overleed in zijn huis in Jeruzalem, in zijn slaap, Shmuel Safrai, emeritus hoogleraar oude joodse geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit te Jeruzalem. In Nederland werd hij bekend in de jaren zeventig, tachtig door de lezingen die hij -vaak samen met zijn collega David Flusser- gaf in leerhuizen en cursussen. Behalve een degelijk onderzoeker was hij een voorbeeldig leraar. Zijn eigen zoon Zeef en dochter Chana kunnen tot zijn vooraanstaande leerlingen gerekend worden, wat voor weinigen geldt. Een generatie van historici en theologen verloor in hem een leraar en een vader.

Safrai's leven stond in het teken van studie, lernen of, als we de religieuze dimensie erin betrekken, Tora. Het rabbijnse traktaat 'Spreuken der Vaderen' begint met de leus: ,,Op drie zuilen berust de wereld; op de Tora, op de eredienst, en op de werken van barmhartigheid''.

Safrai maakte ons duidelijk dat het hier niet om het boek gaat, maar om studie van de Tora. Een van de mooiste dagen van het jaar, vertelde hij eens, vond hij de dag dat de kinderen voor het eerst naar school gaan om te leren lezen. Hij was dan ook een innemende opa, bij wie kleine kinderen zonder aarzelen op schoot kropen. Waarschijnlijk moest hij half-bewust denken aan die andere spreuk uit de rabbijnse literatuur, dat 'de wereld berust op de adem van de schoolgaande kinderen'.

Shmuel Safrai werd in 1919 geboren in Warschau en emigreerde drie jaar later met zijn ouders naar Palestina. Het moeten goed-vrome joodse ouders zijn geweest, te oordelen aan hun thans gestorven zoon: gedisciplineerd voor zichzelf, ruimhartig voor anderen. Safrai zei eens over zijn vader: ,,Hij was een heilige''.

Intussen was het hard werken geblazen. Zijn studie betaalde Shmuel door overdag les te geven; 's avonds liep hij dan naar Har Hatsofim, waar sinds 1923 de Hebreeuwse Universiteit resideerde. Hij behaalde er zijn doctoraat in 1957, werd in 1962 docent, in 1969 lector en in 1978 hoogleraar. In dat jaar zat ook ik onder zijn gehoor.

Safrai's proefschrift, ook vertaald in het Duits, gaat over de joodse pelgrimage in de periode van de Tweede Tempel. Zorgvuldig onderzoek leidde hem tot de conclusie dat slechts een klein deel van het volk de jaarlijkse tocht naar de tempel ondernam, en dat de ouders van Jezus dus worden voorgesteld als zeer meelevende joden (zie Lukas 2 vers 41). Een ander accent in Safrai's onderzoek is het belang dat vele rabbijnen toekenden aan Tora-studie door vrouwen. Ook in de synagogedienst waren in de oudheid altijd vrouwen aanwezig. De 'vrouwengalerij', waar de vrouwen helemaal achteraf zitten, is pas in de Middeleeuwen ingevoerd, zo toonde hij aan. Voorzover de gemeente het toeliet, was hij er ook voor dat vrouwen in onze tijd prominenter deelnemen aan de eredienst. Helemaal in die lijn ligt dat zijn dochter Chana een aantal jaren judaica doceerde in Utrecht, en thans aan de Hebreeuwse Universiteit.

Zijn belangrijkste studies werden gebundeld in 1983 en 1994. Daarnaast werkte hij mee aan vele gezamenlijke projecten. Zo was hij een steunpilaar van de in Assen uitgegeven Compendia rerum judaicarum ad Novum Testamentum. Een maand geleden zat ik daarover nog in zijn huis met hem te praten, samen met een andere oud-student en mederedacteur, Joshua Schwartz.

Safrai bleef werken en studeren. In 1998 publiceerde hij samen met zijn zoon Zeev een belangrijke studie over de Pesach-haggada. Het voorwoord van vader en zoon bevat een ietwat plechtige maar oprecht gemeende zin, die mag dienen als slot van dit levensbericht: ,,Wij danken de Schepper der wereld, die ons deel heeft gesteld tussen hen die zijn Tora leren en die onze geest heeft gewekt om dit grote werk te ondernemen en te voltooien''.

mailIcon print |