*

 

Een rotsformatie splijt de geesten

Martijn Eickhoff − 12/02/03, 00:00

De Externsteine, een grillige rotsformatie in het Duitse Teutoburgerwoud, werden door de nazi's verheven tot het Germaanse Stonehenge. Ze wisten zich gesteund door onderzoek van serieuze archeologen. De Duitse prehistorica Uta Halle bekeek hun opgravingen opnieuw. Uit niets bleek de aanwezigheid van een Germaanse zonnetempel; wel kwamen ontluisterende gegevens boven tafel over de houding van de archeologen van het Derde Rijk.

Twee uur rijden vanaf de Nederlandse grens bevindt zich in het Teutoburgerwoud, bij het stadje Detmold, een rotsformatie die bekend is geworden onder de naam Externsteine. Het betreft een rij smalle, grillig gevormde zandsteenrotsen, die 100 tot 130 miljoen jaar oud zijn en die loodrecht uit de omringende bossen oprijzen.

Er is een officiële entree en er zijn keurige wandelpaden, grasvelden en hekjes. Dankzij gietijzeren trappen en bruggen kunnen de verschillende rotsen goed worden beklommen. Het rotscomplex wordt om zowel natuur- als cultuurhistorische redenen bezocht. Over de cultuurhistorische waarde lopen de meningen in Duitsland echter zeer uiteen. Conflicterende visies op de religieuze betekenis van de rotsen zijn hier debet aan.

In een van de rotsen zijn een rotsgraf en een reliëf van de kruisafname te zien. In de top van een andere rots is een kleine kapel uitgehakt. Het zijn de restanten van een twaalfde-eeuwse reconstructie van de heilige plaatsen in Jeruzalem. Naast deze middeleeuwse resten is er de mythe dat Externsteine een voor-christelijk, Germaans heiligdom zijn geweest. Aanhangers van deze mythe komen jaarlijks bij het rotscomplex bijeen om er het zonnewende-feest te vieren. Op dit evenement komen vooral esoterische groepen af, soms zijn ook rechts-radicalen aanwezig.

De mythe van het Germaanse heiligdom dateert uit de zestiende eeuw, maar kreeg in jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bekendheid door toedoen van de charismatische pseudo-wetenschapper Wilhelm Teudt (1860-1942). Teudt meende dat op de Externsteine de zogeheten Irminzuil had gestaan, een Saksisch heiligdom dat door Karel de Grote was vernietigd. Toen een van zijn volgelingen boven op de rotsen een smalle kuil ontdekte, werd die door Teudt geïnterpreteerd als de standplaats van de legendarische zuil. Teudt verkondigde ook dat de Externsteine in prehistorische tijden door de Germanen waren gebruikt bij hun zonnecultus. Het complex deed in zijn ogen niet onder voor het Britse Stonehenge.

Teudt wist met zijn theorieën grote aanhang te verwerven. Maar er waren ook tegenstanders. Omdat alleen archeologisch onderzoek uitsluitsel kon geven over het verleden van de Externsteine, vonden in opdracht van de lokale autoriteiten tussen 1932 en 1934 drie opgravingen plaats. Bij de campagne van 1932 kwam uitsluitend middeleeuws materiaal naar boven. Er was geen enkele aanwijzing voor voor-christelijke activiteit. Anders was het bij de campagnes van 1933 en 1934. De uitvoerend archeoloog, Julius Andree (1889-1942), verbonden aan de universiteit van Münster, groef toen een grote platte steen op. Een Germaanse offertafel, volgens Andree. Hij trof ook scherven aan, die hij voor Germaans hield.

Al snel kwam de nodige kritiek op de conclusies van Andree. Om zijn bevindingen tegen het licht te houden werd op initiatief van een plaatselijke onderwijzer een 'schervenconferentie' belegd. Maar doordat Teudt op deze bijeenkomst ook de SS uitnodigde, leek het de initiatiefnemer het verstandigst zijn scepsis voor zich te houden. Dat de Externsteine Germaans waren, stond vanaf dat moment niet meer ter discussie.

Door een beroep te doen op de SS, had Teudt ook hun belangstelling gewekt. Himmler, die was gefascineerd door het ontstaan van de Germanen in de verre prehistorie, deed er nu alles aan om de Externsteine in zijn invloedssfeer te krijgen. Ook het Amt Rosenberg, een organisatie die zich bezighield met het culturele leven in het Derde Rijk, raakte geïnteresseerd in het rotscomplex. Er ontstond een machtsstrijd die al snel in het voordeel van Himmler werd beslist: de SS confisqueerde het terrein in 1935, en liet gevangenen uit concentratiekampen de rotsformatie herinrichten tot een cultusplek, die als decor kon dienen voor SS-rituelen.

Via propaganda konden de Duitsers er kennis van nemen dat de rotsen een Germaans-religieuze betekenis hadden. Dat deed de bezoekersaantallen flink stijgen. Het was in deze periode dat er bij de Externsteine voor het eerst zonnewende-feesten werden gevierd. Bij het terrein verrees een toegangsbord met de tekst dat het hier een voorouderlijk heiligdom betrof, waar men zich met gepaste eerbied diende te gedragen. Dit impliceerde onder meer dat Joden de toegang tot de rotspartij werd ontzegd.

Na 1945 waren de Externsteine een wetenschappelijk taboe. Daarin kwam eind vorig jaar verandering, toen de Duitse prehistorica Uta Halle een uitgebreide studie publiceerde over de opgravingen van Julius Andree. Halle komt tot de conclusie dat alle vondsten uit de Hoge en Late Middeleeuwen stammen en niet, zoals Andree indertijd betoogde, uit de prehistorie of de tijd van Karel de Grote. De Germaanse offertafel die Andree ontdekte, blijkt niet meer te zijn dan een naar beneden gestort rotsblok.

De geschiedenis van de opgravingen bij de Externsteine leert volgens Halle veel over de archeologiebeoefening in het Derde Rijk. Vrijwel alle Duitse archeologen, zegt de prehistorica, waren actieve deelnemers aan het nationaal-socialistische systeem. Men schroomde niet elkaar bij hogere partij-instanties aan te geven. Het onderhouden van 'joodse' vriendschappen was een veel geuite beschuldiging. ,,Dat partijleden gebruikmaakten van de misdadige mogelijkheden die het regime hun bood, dat was mij bekend, maar dat dit zo algemeen gold, ook voor wetenschappelijk geschoolden, dat ging mijn voorstellingsvermogen te boven.''

Het onderzoek van Halle naar de Externsteine wordt haar niet overal in Duitsland in dank afgenomen. In een omvangrijk artikel in het weekblad Der Spiegel eind vorig jaar, kreeg Halle het verwijt alle voor-christelijke activiteiten bij de Externsteine achteloos van tafel te hebben geveegd, terwijl er nog onlangs op de rotsen zes zitjes waren ontdekt voor sterrenkundige observaties! Een niet te miskennen indicatie dat de rotsformatie ooit fungeerde als een oer-Germaanse sterrenwacht, aldus Der Spiegel.

Halle reageert nuchter: ,,Ten eerste zou ik nooit spreken van oer-Germanen, eerder van de prehistorische bevolking van Duitsland. Of zij de voorouders zijn geweest van de latere Germanen, zullen we nooit weten. Ten tweede geloof ik best dat die bevolking de sterren en de zon in de gaten hield, maar daarvoor hoef je toch niet op een rots te gaan zitten. Dat kan overal.''

Het artikel in Der Spiegel sluit opvallend goed aan bij de opvattingen van de nazi's, zegt Halle. Himmler zou het verhaal, als dat mogelijk was geweest, met rode oren hebben gelezen. Dat de Germanen astronomen waren, was een van zijn vele waanbeelden. Maar het gaat Halle te ver hierin een renaissance van bruin gedachtegoed te zien: ,,De nazi's zijn niet de eersten, niet de enigen en zeker niet de laatsten geweest die de Externsteine voor een Germaans cultuscentrum hielden.'' Het voortbestaan heeft, volgens Halle, vooral te maken met een bekend antropologisch fenomeen: een theorie die zich eenmaal heeft genesteld in het collectief historisch bewustzijn kan in een steeds veranderende gedaante nog lang en hardnekkig voortleven, hoe dubieus de herkomst en hoe gefundeerd de wetenschappelijke kritiek erop ook zijn.

mailIcon print |