AMSTERDAM - De Cito-toets die kinderen aan het eind van de basisschool maken, heeft de laatste jaren bijna de status gekregen van een eindexamen. Volgens onderwijspsycholoog Mart Visser is dat niet terecht.
Het aantal deelnemers aan de toets, die deze week wordt afgenomen, is volgens Visser de afgelopen jaren 'vrij snel' gestegen. Nu doet ongeveer 90 procent van alle scholieren in groep 8 mee. Dat zijn 169000 kinderen, 9000 meer dan vorig jaar.
De groei heeft volgens Visser te maken met de werkwijze van de onderwijsinspectie, die rapporten over scholen openbaar maakt via internet. Daarin spelen de Cito-resultaten een rol: ,,Als je niet meedoet zegt de inspectie dat er geen resultaten zijn. Dat oogt niet fraai voor ouders. En als je drie jaar achtereen lager scoort dan scholen met eenzelfde populatie, krijg je intensiever toezicht, niet echt aantrekkelijk.''
Scholen zijn zich daarom meer gaan richten op de toets, zegt Visser, die onlangs promoveerde op de 'schoolkeuzeprocedure' in Amsterdam. ,,Ze oefenen vaak intensief met oude toetsen, waardoor leerlingen de ene keer thuis kunnen zeggen dat ze een mavo-advies hebben gescoord en een andere keer een vmbo-advies. Dat kan zorgen voor spanningen bij kinderen en ouders.''
Ook uitgevers hebben het belang van de toets ontdekt: Wolters Noordhoff geeft sinds drie jaar een cd-rom uit met speciale Cito-oefeningen.
Een onafhankelijk gegegeven over leerlingen is onmisbaar, stelt Visser en wellicht zijn scholen te ver gegaan in hun aandacht voor 'zachte onderdelen' als creativiteit en 'sociaal-emotioneel welbevinden'. ,,Maar bij de keuze voor een vervolgschool doet het oordeel van de basisschool er steeds minder toe, omdat niet alleen de inspectie, maar ook het voortgezet onderwijs harde gegevens vraagt. In Amsterdam zijn de verlangde scores voor havo en vwo pas weer verhoogd. Zij kunnen nu ook strenger zijn, omdat het aantal leerlingen is toegenomen.''
Bij de beoordeling worden verschillen tussen scholen van dezelfde categorie vaak vergeten, denkt Visser. Het Cito heeft alle basisscholen ingedeeld in zeven groepen. Elke groep vormt een indicatie voor de sociaal-economische positie van de ouders. Een school in groep 7 heeft uitsluitend achterstandskinderen, 'groep 1' kan rekenen op het kroost van een hoogopgeleid en welvarend publiek.
,,Een mono-etnische school met alleen Turkse of Marokkaanse kinderen kan het moeilijker hebben dan een meer 'gemengde' zwarte school, terwijl ze allebei in groep 7 horen. Het Nederlands kan een groter probleem zijn en het komt voor dat ruzies tussen ouders over hoofddoekjes of de mate van aanpassing aan de Nederlandse cultuur hun weerslag in de klas hebben. Het is moeilijk te bewijzen, maar volgens leerkrachten heeft dat ook invloed op de prestaties.''
Ook voor de 'traditionele vernieuwers' zoals de Montessori- en Jenaplan-scholen is het zuur. ,,Zij voelen zich tekortgedaan en dat begrijp ik wel. Zij willen kinderen iets extra's meegeven, op het gebied van zelfstandigheid bijvoorbeeld, maar daar heeft het voortgezet onderwijs volgens hen geen boodschap aan.''
En wanneer wethouders of andere lokale politici schermen met 'betere Cito-scores' in hun stadsdeel of gemeente, is waakzaamheid volgens Visser geboden. ,,Een deel van zo'n stijging zal reĆ«el zijn, maar hogere scores kunnen ook te maken hebben met veel oefenen en het wegsturen van zwakke leerlingen op het moment suprême. Ook het helpen van leerlingen tijdens de toets komt voor, bleek uit de interviews die ik voor mijn onderzoek heb gedaan.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.