*

 

Mohammed

door Hans Jansen − 01/02/03, 00:00

Letter & Geest is deze week gewijd aan Mohammed. De schrijfster Jessica Durlacher vergelijkt het tumult om Ayaan Hirsi Ali met de milde reacties op Abou Jahjah. De imam en islamoloog Bahaeddin Budak schrijft een brief: 'Lieve Ayaan, wees trots dat je voorouders geen Hitler hebben opgevoed'. En voorts een selectie uit de honderden reacties op de website van Trouw. Op deze pagina de arabist Hans Jansen: ,,Het christendom en het jodendom zijn gewend aan concurrentie van allerlei allooi, van kruidenvrouwtjes tot aanhangers van Rudolf Steiner. Maar de islamitische religieuze leiders hebben eeuwenlang een monopolie gehad. Daarom heeft de Bhagwan geen aanhangers in Bagdad en lopen er geen Hare Krishna door Cairo. Voor het eerst zijn er nu islamitische predikanten die hun eigen broek moeten ophouden en die op voet van gelijkheid moeten concurreren met andere levensovertuigingen. Het is die gelijkheid die schrijnt.''

Eigenlijk is haast alles wat je over Mohammed zegt, wanneer je niet precies de geijkte formules volgt, verkeerd. Ayaan Hirsi Ali heeft in Trouw (25 januari 2003) verteld dat de profeet Mohammed met de negenjarige dochter van zijn vriend Aboe Bakr een huwelijk heeft gesloten. Volgens de vrome islamitische overlevering had dat meisje haar poppen nog bij zich toen ze aan de profeet als bruid overhandigd werd.

Hirsi Ali vertelt dat verhaal, en voegt daar enkele typisch moderne Nederlandse waardeoordelen aan toe. Prompt zijn alle Nederlandse moslimse leiders boos. Maar dat de profeet met de negenjarige Aisha is getrouwd, wordt uiteraard niet tegengesproken. Dat is wat de islam zelf traditioneel overlevert. Hetzelfde geldt voor de andere islamitische verhalen over Mohammed die Hirsi Ali in haar Trouw-interview over de Tien Geboden doorgeeft, en van modern commentaar voorziet. De profeet heeft inderdaad de vrouw van een van zijn vrijgelaten slaven tot zich genomen.

Er is iets heel merkwaardigs aan de hand met de moslimse opvattingen over de profeet Mohammed. De theorie van de islam leert dat Mohammed een gewoon mens is geweest. Daarbij wordt dan overigens meestal in één adem beschuldigend de vinger uitgestoken naar het christendom, dat zo zondig en dom is geweest om Jezus, een man uit het stadje Nazareth in de provincie Galilea, te gaan vergoddelijken, terwijl deze Jezus (volgens de Koran) toch ook, net als Mohammed, niets meer was dan een gewoon mens.

Moslims zijn zoals bekend eenstemmig van oordeel dat Mohammed bijzonder was, maar niet omdat hij, op wat voor manier dan ook, deel van God was. Mohammed was bijzonder omdat hij de laatste menselijke boodschapper van God geweest is, nergens anders om. Jezus daarentegen, gelooft de islam, is niet goddelijk in enige betekenis van dat woord, maar een gewoon mens, een gewone profeet in de reeks van profeten die begint met Adam en die eindigt bij Mohammed.

Christenen zien het anders. Over Mohammed hebben ze, net als de VVD, geen opvattingen. Maar ze geloven dat Jezus de zoon van God is geweest. Ondanks die wel heel ongewone positie, zoon van God, beelden ze Jezus af op schilderijen en iconen, laten hem zingen in oratoria, en zelfs spelen in films. Moslims daarentegen, die geloven dat Mohammed een gewoon mens is geweest, verbieden het hem af te beelden, hij mag niet in films voorkomen, en een zingende Mohammed, zoals Jezus in Jezus Christ Superstar, is in moslimse ogen een schandalige spotternij.

Ayaan Hirsi Ali heeft een reeks negatieve uitlatingen over de profeet Mohammed gedaan. Ze is de enige niet. Zouden negatieve soortgelijke uitlatingen over Jezus van Nazareth op dezelfde manier christenen de touwen in jagen? Waarom moslims dan wel? Meer haast dan als een godsdienst presenteert de islam zich de afgelopen decennia als een ideologie die van alle kanten bedreigd wordt. Grote groepen moslims voelen zich de verworpenen der aarde, de verdrukten van deze wereld, de vertrapten, die van alle kanten onrecht wordt aangedaan. Ze stellen zich op alsof ze belegerd worden en alsof ze worden bedreigd met de dood. Hun leiders praten over de niet-moslimse buitenwereld zoals een volk dat in oorlog is over de vijand praat. Vooraanstaande moslims zijn van oordeel dat de islam te lijden heeft van verraders en overlopers. Ze verweren zich als een natie die in het nauw zit, niet als een godsdienst die net als alle andere godsdiensten en levensovertuigingen moet trachten zijn aanhangers en zijn vijanden met charme en kalmte te overreden.

Er zijn nogal wat islamologen die moslims wat dit aangaat naar de mond praten, en hen stijven in het idee dat ze inderdaad een volk in oorlog zijn. Van buiten af wordt het oorlogsgevoel regelmatig bevestigd, en een eventuele oorlog tegen Irak zal meehelpen het zelfbeeld van moslims als een natie in oorlog te versterken. Maar het is niet waar, het is een hysterische leugen, en iemand als Hirsi Ali prikt die leugen door.

Er is natuurlijk wel iets aan de hand: voor het eerst sinds het ontstaan van de islam, voor het eerst sinds de beginjaren in Medina, moet de islam nu, in de moderne wereld, op de vrije markt van godsdiensten en levensovertuigingen zonder overheidssteun de concurrentie aangaan met alternatieven. Dat is hard, dat is niet eenvoudig, maar het is geen oorlog. Het is voor de islam moeilijk en nieuw, maar het is geen verraad.

Met die moderne concurrentie en mededinging heeft de islam het moeilijk. Het christendom en het jodendom zijn al eeuwenlang gewend aan concurrentie van allerlei allooi, van kruidenvrouwtjes tot aanhangers van Rudolf Steiner, en die twee godsdiensten hebben er tot op zekere hoogte mee leren leven. Maar voor de islam is vrije concurrentie iets nieuws. De islamitische religieuze leiders hebben eeuwenlang, met overheidssteun, een volstrekt monopolie gehad op de religieuze markt. Daarom zijn er dan ook geen Moonies in Mekka en Medina, heeft de Bhagwan geen aanhangers in Bagdad, en lopen er geen Hare Krishna door Cairo. Voor het eerst sinds eeuwen zijn er nu islamitische predikanten en wetgeleerden die geen steun van een overheid meer krijgen, die hun eigen boontjes moeten doppen en die hun eigen broek moeten ophouden en die op voet van gelijkheid moeten concurreren met andere levensovertuigingen. Het is die gelijkheid die schrijnt.

Ook andere recente gewelddadige uitingen van islamitisch fundamentalisme zijn te verklaren uit het concurrentiemodel. Fundamentalisten hebben zoals bekend vooral geloofsgenoten bedreigd en vermoord. Het doel van al die interne, tegen geloofsgenoten gerichte acties is: duidelijk maken dat de prijs van uittreding hoog ligt. Wie de islamitische wet niet daadwerkelijk toepast, maar deze wet slechts als een historisch interessante curiositeit beschouwt, staat al op de drempel van uittreden uit de islam: dood hem. Dat was de achtergrond van de moord op Sadat in 1981, en zo is het gebleven. Wie, als Hirsi Ali, uit de islam uittreedt, die moet het leven onmogelijk worden gemaakt. Het moet andere moslims duidelijk gemaakt worden hoe riskant het is uit de islam te treden, want anders zouden andere moslims haar voorbeeld wel eens op grote schaal kunnen gaan volgen.

Uittreding uit de islam en belediging van de profeet zijn twee ernstige misdaden volgens het moslims recht, en sommige moslimse activisten onderscheiden ook niet helemaal duidelijk tussen die twee. Tot op zekere hoogte is dat logisch: alleen iemand die uitgetreden is, zal immers de profeet willen beledigen. Een moslim is iemand die het gezag van de profeet nog accepteert, en hem dus niet beledigt. In de fatwa tegen Rushdie liet Khomeini destijds ook weten dat een voorbeeldige straf voor Rushdie noodzakelijk was, 'opdat niemand de islam en Mohammed ooit nog zou durven beledigen'. Vreemd is het dat Khomeini daarbij een beloning uitloofde. Was de hemelse beloning voor de activist-moordenaar niet genoeg, of vertrouwde de activist-moordenaar niet voldoende op die hemelse beloning en wenste hij voor alle zekerheid maar vast be-

taling aan deze zijde van het graf?

Om niet-moslims te laten begrijpen hoe erg belediging van de profeet is, vergelijken moslims zulke belediging graag met majesteitsschennis. In moslimse ogen is het doen van negatieve uitspraken over Mohammed even smakeloos als het tekeer gaan over koningin Juliana. Nederlanders zullen het wel met de moslims eens zijn dat lollig doen over de koningin of de ex-koningin geen pas geeft, maar naarmate de koningin meer en zichtbaarder macht uitoefent, komt het taboe op het olijk en snaaks becommentariëren van de majesteit meer onder druk te staan. En iemand als Mohammed oefent wel geen macht meer uit, maar als religieuze autoriteit is hij dagelijks aanwezig in het leven van de moslims. Wie dagelijks gezag uitoefent, zelfs al is het namens God, moet tegen een stootje kunnen, en niet schrikken als zijn macht en invloed besproken worden. In de moderne wereld is die bespreking natuurlijk lang niet altijd positief.

Maar wat voor man was Mohammed nu? Was hij, om Ayaan Hirsi Ali te citeren, 'een perverse tiran'? Om zo'n oordeel te vellen, moet je kunnen nagaan wat er in de dagen van Mohammed gebeurd is en hoe Mohammed zich toen gedroeg. De enige bron voor wat er allemaal zo is voorgevallen tijdens het leven van Mohammed, is de islamitische overlevering zelf. Moslims worden er natuurlijk niet vrolijk van wanneer niet-moslims die overleveringen als onvoldoende betrouwbaar beschouwen.

Wie de islamitische overlevering over Mohammed en de eerste twee eeuwen van de islam afwijst, wijst daarmee in feite immers de islam zelf af. Als die oude islamitische overlevering onbetrouwbaar is, is daarmee Mohammed gelukkig wel vrijgepleit van de beschuldiging een 'perverse tiran' te zijn geweest, maar het kind is dan eigenlijk met het badwater weggegooid, want in dat geval weten we eigenlijk niets met zekerheid over Mohammed en de wereld waar hij in leefde. En voor historici is dat ook zo: voor een historicus is kennis over het leven van Mohammed niet van eenzelfde orde als bijvoorbeeld kennis over het leven van keizer Augustus (over wie op zijn minst inscripties bewaard zijn).

Die oude islamitische overleveringen over Mohammed (570?-632) zijn opgetekend zo rond de jaren 750-825 van onze jaartelling, en ze gaan natuurlijk uit van het systeem van normen en waarden dat toen gold, niet van onze hoogstaande huidige Nederlandse normen en waarden. Maar ja, het bezwaar van Hirsi Ali is dat moslimse mannen zich die waarden uit die verhalen over Mohammed tot voorbeeld nemen, en daarnaar willen gaan leven. Of die verhalen echt gebeurd zijn, is als je vastbesloten bent je aan die voorbeeldverhalen vast te klampen als aan het leven zelf, natuurlijk nauwelijks nog interessant. Wijsneuzige historici kunnen natuurlijk nooit hopen dat de gelovigen eerder naar hen zullen luisteren dan naar de vrome ayatollah's.

De in Amerika wonende Ibn Warraq heeft niet neutraal willen blijven in de oorlog die volgens hem een aantal moslims aan het Westen verklaard heeft. Hij heeft zich tot doel gesteld ruchtbaarheid te geven aan hoe, naar moderne maatstaven, de normen en waarden beoordeeld moeten worden, waar de verhalen over Mohammed blijk van geven. Zijn (moderne) oordeel is vernietigend. Ook hij beschouwt Mohammed, op grond van de verhalen uit de islamitische traditie zelf, als pervers, zo niet pedofiel. De vechtlust en de roofzucht van Mohammed - zoals die blijkt uit de vrome verhalen van de islamitische traditie zelf - worden breed uitgemeten, in een boek uit 1995, Why I am not a Muslim, destijds in Nederland alleen in HP/deTijd besproken. Wie de vrome verhalen over Mohammed alleen maar in de zoetsappige versies kende, weet niet wat hij leest.

Maar Ibn Warraq heeft het daar niet bij gelaten, hij heeft er twee forse boekdelen achteraan laten komen, The Origins of the Koran en The Quest for the Historical Muhammad. Hierin hij laat zien dat er over een historische Mohammed niets te zeggen valt, en dat zelfs de stelling dat Mohammed nooit bestaan heeft, wetenschappelijk verdedigbaar is. Wat de Koran aangaat, betoogt hij dat veel koranverzen zelfs geen Arabisch zijn, maar niet als zodanig herkende Aramese of Syrische christelijke godsdienstige teksten. En al weer: wetenschappelijk zou het kunnen.

Alleen God kan in de harten kijken. Maar waar Hirsi Ali en Ibn Warraq naar streven is waarschijnlijk niet dat vrome moslims nu van hun geloof afvallen (al zullen ze daar zeker geen bezwaar tegen hebben). Waar Hirsi Ali en Ibn Warraq naar streven is dat moslims die al van hun geloof zijn afgevallen nu ook daadwerkelijk uittreden, en argumenten vinden om die uittreding te beredeneren.

Het is te hopen dat de VVD, de baas van Hirsi Ali, zich tegenover de islam even streng opstelt als tegenover het christendom. Want als Hirsi Ali had gezegd dat de apostel Paulus, of Calvijn, of paus Pius IX, 'perverse tirannen' waren geweest, had er geen haan naar gekraaid. Een dominee of kapelaan die dan bij Zalm op 'maatregelen' had aangedrongen, zou de wind van voren hebben gekregen, en terecht. Nu nog even evenveel nuchterheid tegenover de islam.

mailIcon print |