*

 

Mensenrechten zijn niet af te schaffen

Maria Meeuwsen − 03/01/03, 00:00

Regelmatig krijgt rechtsfilosoof Paul Cliteur in de media de kans om van zich te laten horen. Nu weer met de stelling 'schaf de vrijheid van godsdienst af' (Trouw, 20 december). En wat te denken van de afschaffing van het non-discriminatiebeginsel, dat trots in de stenen bank is gebeiteld voor de vergaderzaal van de Tweede Kamer?

Bij de herziening van de Grondwet in 1983 zijn oude grondrechten in nieuwe gedaanten opgenomen en nieuwe rechten als het gelijkheids- of non-discriminatiebeginsel, klassieke vrijheidsrechten en sociale rechten toegevoegd. Die drie soorten rechten hebben elk een eigen dynamiek maar kunnen toch niet onafhankelijk van elkaar functioneren. De in onze Grondwet opgenomen grondrechten moeten zich voegen naar de mensenrechten zoals die zijn neergelegd in Europese en internationale verdragen.

De vrijheid van meningsuiting (artikel 7) is volgens Cliteur 'absoluut het belangrijkste'. Sterker nog, het non-discriminatiebeginsel kan volgens Cliteur worden afgeschaft en kan opgaan in de vrijheid van meningsuiting. Aangaande de vrijheid van godsdienst (artikel 6) redeneert hij idem dito. Maar het is niet aan hem -noch aan Zalm die de discussie begon- om uit te maken welk mensenrecht het belangrijkste is.

In diverse uitspraken heeft de Hoge Raad aangegeven dat er géén hiërarchie van mensenrechten bestaat en dat waar conflicten ontstaan vanwege botsende rechten, middels een afweging van belangen een beslissing en oplossing voor die situatie gegeven moet worden. Door wikken en wegen laten rechterlijke instanties dan het ene recht prevaleren, dan weer een ander. In het arrest aangaande de gepubliceerde foto waarop de moordenaar van G.J. Heijn te herkennen is, geeft de Hoge Raad aan dat er geen rangorde in mensenrechten bestaat, hij wijst er bovendien op dat het kan zijn dat het grote belang van het ene recht moet wijken voor een ander fundamenteel recht indien dat vanuit algemeen maatschappelijk perspectief relevant is. Dat is 'recht doen' in optima forma.

Het bezit van een grondwet waarin en waardoor de grond- en vrijheidsrechten van de burger verankerd en gewaarborgd zijn, is een groot goed en een van de dragende beginselen van onze democratische rechtsstaat. Die rechten zijn niet van de ene op de andere dag in de Grondwet opgenomen. Als document is de catalogus aan mensenrechten te herleiden tot de 'Verklaring van de Rechten van de Mensch en van de Burger' dat op 31 januari 1795 door de Provisionele Representanten van het Volk van Holland werd afgekondigd.

Toch heeft het nog tot 1983 geduurd voordat het oude recht 'gelijkheid voor de wet' werd uitgebreid met het non-discriminatiebeginsel en dat aan de vrijheid van godsdienst de vrijheid van levensovertuiging werd toegevoegd. In de toelichting zegt de wetgever: 'Grondrechten hebben tot doel bij te dragen aan de ontplooiing van elk individu naar zijn geaardheid, door hem in alle facetten van zijn persoonlijke leven te beschermen, zoals zijn intimiteit, zijn uitingsmogelijkheden, zijn deelname aan het openbare leven'. Kortom, de hele catalogus aan mensenrechten behoort tot onze beschaving en bepaalt mede de waarde daarvan.

Het is natuurlijk zo dat vrijheden tegenovergestelde excessen met zich mee kunnen brengen. Om die het hoofd te bieden zijn zowel in de Grondwet alsook in de Verdragen grenzen en voorbehouden ingebouwd. Zo wordt de vrijheid van godsdienst beperkt door 'ieders verantwoordelijkheid voor de wet' maar kunnen ook beperkingen worden gesteld die in een 'democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen', aldus het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Grenzen stellen aan vrijheden is echter van een geheel andere orde dan afschaffen.

mailIcon print |