In de krant las ik iets over de Saturnusmaan Titan. Het is de enige maan in ons zonnestelsel met een dichte ondoorzichtige atmosfeer die grotendeels uit stikstof bestaat. Er zit beweging in die atmosfeer en er valt waarschijnlijk 'regen', bestaande uit vloeibaar methaan dat bij een temperatuur van min 180 graden omlaag druppelt.
Wat is het toch onuitsprekelijk gezellig op aarde, denk ik dan, terwijl ik door een allerminst koesterende winterregen naar mijn werk fiets. Waar tot mijn verbazing zes jonge studenten geneeskunde op me zitten te wachten om ingeleid te worden in de wereld van het verpleeghuis. Afspraak vergeten.
Het uitstekende idee is dat zij in het kader van hun studie een aantal artsen op hun werkplek bezoeken om te horen en te zien wat daar zoal omgaat. De aldus bezochte artsen hopen dat de studenten onmiddellijk zullen besluiten zich in de toekomst op hun specialisme te richten. Of dat ze op zijn minst oog hebben gekregen voor de bekoring, het avontuur, de uitdaging, de dankbaarheid of de levenswijsheid die een specifieke geneeskundige bezigheid in zich bergt of tot gevolg heeft.
Studenten geneeskunde zijn allerminst onbeschreven blad als zij aan hun studie beginnen, en voor zover ons vak op een misverstand berust, zal dit misverstand zeker niet verdwijnen door de instroom van een nieuwe generatie. Integendeel, de verse toestand waarin de dwaling telkens opnieuw het gebouw wordt binnengevoerd, is op zich een garantie voor voortdurende ellende.
Waar hebben we het over?
De onverholen minachting (die krijsend ontkend wordt als je je mes erin wilt zetten) voor het verpleeghuis en alles wat daar in en daar om is. Omdat ze zo jong zijn vinden ze de hele bezigheid van oud worden op zich al een initiatief waar zij zich nooit voor zullen lenen.
Nou regent het hier geen methaan bij min 180, maar zo knus is het nou ook weer niet op aarde dat het leven er vanaf een menu bestelbaar is. Er volgt op onze planeet helemaal niets op de verbijsterde uitroep van de klant die dat allerkoudste gerecht, Ouderdom, opgediend krijgt: ,,Maar dat heb ik helemaal niet besteld!''
Mijn jonge collega's geloven hier niks van. Zij denken dat oud worden een ontwikkeling is die je best in het gareel kunt houden, als je je maar schrap zet. Oud, gebrekkig, dement, dat zijn allemaal toestanden waarin mensen het er helemaal bij laten zitten. Mislukkingen eigenlijk. Ik weet niet wat deze moppies denken als ze over een kerkhof lopen, hoewel er eentje bij zit met iets zo weerloos in haar gezicht dat zij zich op een begraafplaats in een acute flits van melancholie wel eens onverwijld bij de ontslapenen zou kunnen voegen. Maar ik zie wel wat er door ze heen gaat als ze in het verpleeghuis lopen: Dit nooit! Ik kijk wel uit! Ouder worden als een kwestie van niet goed uitkijken.
Dat iemand zich als arts fulltime inlaat met deze gestrande levens, behoeft wel wat uitleg, en hoewel ik mijn best doe mijn aanwezigheid als iets lonends te schetsen, voor de patiƫnten en voor mijzelf, lukt me dat maar half.
Zo is het bijna onmogelijk om ze ervan te overtuigen dat het percentage saaie sukkels onder twintigers precies even hoog is als onder tachtigers. Ik ken door mijn werk persoonlijke verhalen uit ongeveer 100 à 125 jaar geschiedenis: episodes uit het huiselijke leven van Breitner, een bezoek aan Tolstoi in 1905, het leven in 1918 in een sleuf bij de Elandsgracht waar vader, moeder en twaalf kinderen in twee kamertjes huisden, fragmenten van het Amsterdam waar Nescio omheen zwierf, pleidooien uit vrijwel alle partijen in de Tweede Wereldoorlog waarbij het opvalt dat ik de laatste jaren meer hoor uit 'foute' hoek, enzovoorts enzovoorts.
Maar je doktert natuurlijk niet om beter in geschiedenisboekjes te kunnen bladeren. Daarom wil ik ter afsluiting ook iets bij ze kwijt over wat ik meen bij te dragen aan lijdensvermindering, als we dat tenminste beschouwen als het beste gevolg dat geneeskunde kan hebben.
Dat ik slechts incidenteel iets genees vinden ze jammer, maar goed, genezen komt dus nog wel voor, maar dat ik hun uitdrukkelijke aandacht vraag voor stervenden en hun familie, treft ze onverwacht. Ik wil over sterven praten in de zin van: hoe maken we daar iets van? Maar ik kom twintig jaar te vroeg met mijn informatie en zie hoe het nergens landt. Bij wijze van goed advies bij ons afscheid raad ik ze terloops het laatste deel van Hans Warrens 'Geheim Dagboek' aan, omdat ik denk dat je daar nog eens goed kunt lezen hoe moeilijk het is om thuis lange tijd alleen voor een zieke te moeten zorgen. Het hele verschijnsel verpleeghuis wordt door zo'n verslag ineens veel begrijpelijker. Ze kijken me niet begrijpend aan.
,,Wie van jullie kent Hans Warren eigenlijk? Dichter? Dood? Provinciale Zeeuwsche Courant?''
Ze hebben nooit van hem gehoord.
,,Eens op een dag zullen jullie oud zijn!'', zo schud ik mijn machteloze vuist naar hun toekomst.
,,Ja, maar jij zult er dan niet meer zijn om van je gelijk te kunnen genieten'', is het onweerlegbare antwoord van de jeugd.
Zo ging het niet, hoor. We namen vriendelijk afscheid en ik werd hartelijk bedankt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.