*

 

Duikplank voor het multiculturele debat

Jan Greven − 21/01/03, 00:00

Predikte Calvijn verdraagzaamheid? Nee, zegt Andries Hoogerwerf, per saldo was Calvijn niet verdraagzaam en dat komt door zijn visie op de overheid. Die moest van hem optreden tegen alle inbreuk op de ware godsdienst en de goede zeden. Of, in de woorden van artikel 36 van de geheel van calvinisme doortrokken Nederlandse Geloofsbelijdenis: de overheid diende 'te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst'.

Nu is die stoere calvinistische soep in ons land nooit zo heet gegeten. Al kwam dat door de liberale regenten en zeker niet door de calvinistische dominees. Dus Nederland tolerant en het calvinisme niet? Dat laatste zeker, dat eerste zit nog, volgens politicoloog Hoogerwerf. Nog in 1803 is in ons land iemand wegens homoseksualiteit ter dood veroordeeld. Pas met de invoering van het Franse strafrecht in 1811 kwam er een einde aan die strafbaarheid. Maar een eeuw later, in 1910, werd 'homoseksuele ontucht' opnieuw strafbaar en pas in 1971 schrapten we artikel 248 bis van de betreffende wet.

Hoogerwerf had daaraan toe kunnen voegen, dat dezelfde Franse invloed ervoor zorgde, dat de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek onder sterke Franse druk in 1796 Nederlandse joden volledige burgerrechten gaf. Tegen de wens van veel vaderlandse afgevaardigden in.

Ook bij de tolerantie in de huidige maatschappij plaatst Hoogerwerf kritische kanttekeningen. Hij signaleert een verharding en verruwing van de omgangsvorming.

Als een gezamenlijke vrucht van anti-autoritaire opvoeding uit de jaren zestig, zeventig en geld en marktgericht genotsdenken uit de jaren tachtig, negentig. Hij ziet een ontluikend anti-islamisme en een nog steeds bestaand antisemitisme. Hij noemt de moord op Pim Fortuyn als ultieme daad van intolerantie. Hij citeert onderzoek naar opvattingen over minderheden en concludeert alles bijeen genomen dat het beeld van Nederland als verdraagzaam land aanzienlijk dient te worden genuanceerd en gerelativeerd.

Hoogerwerf maakt al die observaties op een constaterende, zoveel mogelijk feitelijke toon. Dat heeft nadelen, want opgewonden over wat je leest, raak je eigenlijk nooit.

Nu vermoed ik, dat Hoogerwerf zelf de laatste zal zijn om dat erg te vinden. Zijn boek ademt de bezonken afstandelijkheid van iemand die de mensenwereld tot in haar vezels heeft doorvorst en de voors en tegens van zowat alles in kaart heeft gebracht. Bovendien lijkt hij me niet het type, dat vindt dat het debat over tolerantie baat heeft bij opgewondenheid.

Anderzijds, dat moet ook gezegd: tot een onconcluderend enerzijds/anderzijds leidt zijn bezonken aanpak niet. Hij heeft duidelijke meningen.

Zo vindt hij dat ware verdraagzaamheid geworteld dient te zijn in overtuiging. En niet in twijfel of de waarheid wel bestaat. De kern van tolerantie is immers iets toe te staan waar je zelf bezwaar tegen hebt. Maar om ergens bezwaar tegen te hebben, zul je toch eerst een eigen opvatting moeten hebben. En dat niet alleen, je zult aan die opvatting ook een maatstaf moeten ontlenen om andere opvattingen te beoordelen.

Hoogerwerf heeft, logisch na deze insteek, weinig op met de gedachte van een universele gelijkwaardigheid tussen culturen. Maar is op dat punt ook weer behoedzaam. Culturen zijn geen statische grootheden, waar je maar even een meetlat naast kunt leggen. Ze zijn in ontwikkeling en allemaal hebben ze hun sterkere en zwakkere kanten. Bepaal je maatstaven, 'bijvoorbeeld vrijheid, gelijkheid, verdraagzaamheid, democratie, technologie en welvaart'. Kijk aan de hand daarvan naar het geheel van een cultuur en spreek dan pas van meer of minder ontwikkeling. Let op dat 'bijvoorbeeld' in de voorlaatste zin.

Hoogerwerf loopt de lezer niet voor de voeten met een eigen maatstaf. Maar noodzakelijk voor het interculturele gesprek acht hij zo'n maatstaf wel.

Eenzelfde behoedzaam verwoorde uitgesprokenheid zie je wanneer Hoogerwerf in discussie gaat met Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In het SCP-rapport 1998 maakte Schnabel een onderscheid tussen een multi-etnische en een multiculturele samenleving. In Nederland kennen we een veelheid van etnische groepen. We zijn dus de facto een multi-etnische samenleving. Maar tegelijk neemt Schnabel waar, dat de invloed van de specifieke cultuur van zo'n etnische groep niet verder komt dan de eigen kring. Invloed op de algemene, openbare cultuur die maatgevend is voor de Nederlandse samenleving, hebben die culturen volgens Schnabel niet.

Hoogerwerf vindt dat een onrealistisch en ook onhistorisch standpunt. Onhistorisch, omdat het suggereert dat multiculturaliteit een nieuw en oppervlakkig verschijnsel is, terwijl ook onze huidige samenleving al het product is van zeer verschillende culturele stromingen (van emanciperende katholieken/kleine luyden tot emanciperende homo's en vrouwen). Bovendien vindt Hoogerwerf het niet realistisch te veronderstellen, dat de invloed van de allochtone culturen zich zal beperken tot de privé-sfeer en de eigen cultuurkring. De cultuur is in beweging en alles, ook de politiek-sociale waarden en hun vertaling in wetten, regels en praktijken, is voor kritiek vatbaar. Zonder verscheidenheid van opvatting is een samenleving, is een politieke democratie niet denkbaar. Maar dan moet je wel weten waar je zelf voor staat. Waar je voor moet staan, laat Hoogerwerf over aan de lezer. Door die formele aanpak is zijn boek eerder een duikplank dan een duik in het multiculturele debat. Jammer, dat hij zich ondanks zijn eruditie en ervaring niet aan een stevige sprong in dat diepe gewaagd heeft.

mailIcon print |