*

 

De loodzware woorden worden almaar lichter

Agnes Amelink − 21/01/03, 00:00

Naar het loodzware geloof van vroeger wil Wim Verboom niet terug. Evenmin heft hij het lied 'we zijn gered, retteketet' aan. De Leidse kerkelijk hoogleraar, afkomstig uit een bevindelijk nest, wil wel het besef van zondigheid en de verwondering over de genade doorgeven.

Wim Verboom groeide op in een bevindelijk nest. Als zijn vader vroeg: 'Jongen, wat leeft er in je hart?', zei hij steevast: 'Niet veel goeds'. Nu geeft Verboom als Leids professor de bronnen waaruit hij putte, door aan zijn studenten.

Praten over geloof, over wat je ten diepste beweegt, is een van de lastigste dingen die er zijn. Iedere gelovige die wel eens serieus tegenover een kritische agnost heeft gestaan, weet dat. Over geloof valt eigenlijk niet te argumenteren en voor je het weet gaat het gesprek over de buitenkant -gewoontes, regels- of over het even uitgestrekte als schimmige terrein van het 'gevoel'. Dan is het al gauw jouw gevoel tegenover het mijne - einde verhaal.

Deze verlegenheid beperkt zich niet tot de ontmoeting tussen gelovigen en niet-gelovigen, ze doet zich ook voor bij geestverwanten onder elkaar. Natuurlijk, het kan zijn dat een enkel woord, een half citaat, een wereld oproept, maar dan zijn we wel bij de gevorderden. De geloofsoverdracht aan jongeren is een heikel thema in kerken van alle gezindten. Zelfs in de 'zware hoek', zeg maar de kerken waar morgen overwegend SGP wordt gestemd, is de tijd van vanzelfsprekendheden voorbij en bestaat twijfel of de taal van de vaderen nog wel toereikend is om het erfgoed over te dragen.

Dat is opmerkelijk, want van oudsher spelen hier de diepste zielenroerselen van de mens -en dus de uiting daarvan- een belangrijke rol. Niet voor niets wordt deze richting aangeduid met de term 'bevindelijkheid'. Het geopenbaarde Woord van God moet het hart werkelijk raken. Deze mystieke variant van het protestantisme heeft een zware lading. De mens moet zich zijn zondige aard zo bewust worden dat hij gaat schreeuwen om de verlossing door Christus. Zonde en oordeel zijn levendige en dus angstaanjagende begrippen, waartegen de genade des te stralender afsteekt.

Wim Verboom beschrijft in 'Het bevindelijke nest' aanschouwelijk hoe dit in de praktijk van een kinderleven gestalte kreeg. Verboom (1941) is voor de Gereformeerde Bond in de hervormde kerk hoogleraar in Leiden, waar hij onder meer kerkgeschiedenis en catechetiek doceert.

Een begrafenisstoet, zwemmen tijdens onweer, het onvervulde verlangen naar échte trommelstokken, alles in het Friese Kollum waar de kleine Wim opgroeide, voerde hem naar de vraag hoe hij er voor de eeuwigheid voor stond. Gewone kindervragen en

-angsten leken er niet te bestaan. Met aandacht voor details beschrijft Verboom hoe zijn vader en (tweede) moeder en andere volwassenen hem leidden op de weg naar geloof en bekering.

Verbooms vader was evangelist in Kollum, dat wil zeggen: voorganger bij de 'hervormde evangelisatie op gereformeerde grondslag'. Dat betekende dat hij in de schaduw van de grote hervormde dorpskerk en de al even machtige gereformeerde een kleine bevindelijke kudde hoedde. Een groep die vanwege haar aparte positie een gemakkelijk mikpunt van spot was. Naar de naam van hun voorganger werden ze 'verboomianen' genoemd.

Het kan zijn dat deze uitzonderingspositie het geloofsbewustzijn van zoon Wim extra gevoed heeft, maar aan de reacties op zijn boek (dat inmiddels aan de vierde druk toe is) heeft Verboom wel gemerkt dat zijn beleving niet uniek was. Velen die in een bevindelijk nest groot werden, herkennen zijn worstelingen en zijn vreugdes.

In het nawoord bij zijn boek stelt Verboom vast dat de manier waarop hij het geloof beleefde voorbij is. Op zichzelf is daar niets mis mee, voegt hij eraan toe. Wie de wereld van de bevindelijken slechts van buitenaf kent, verbaast zich erover. Het lijkt toch nog altijd een degelijk bolwerk, met z'n volle kerken waaruit het psalmgezang krachtig opstijgt, z'n eigen reformatorische scholen, eigen krant en partij. Zou daar de klad nu ook al in komen?

Verboom: ,,De kernelementen, het besef van zondigheid en de verwondering over de genade, zijn echt niet voorbij. De stilering ervan wel. De gezinnen zijn ook bij ons totaal anders geworden. Zo'n klimaat waarin 'de vreze des Heeren' alles doortrok, dat is voor veel jongeren van nu irreëel geworden. Het leven is jachtig, versplinterd. De individualisering heeft ook binnen de gezinnen toegeslagen.'

De ziel van de bevindelijke geloofsbeleving is er nog wel, zegt Verboom ,,maar we staan voor de uitdaging hoe we er uiting aan moeten geven'. Het was in zijn ouderlijk huis niet ongebruikelijk dat vader bij zijn kinderen informeerde hoe ze er geestelijk voor stonden: 'Jongens, wat leeft er in je hart?', waarop het antwoord steevast luidde: 'Niet veel goeds'. Het was duidelijk dat vader hoopte op signalen die wezen op bekering. De toon van nu is alledaagser. ,,Nu kan mijn zoon aan mij vragen 'pa, zie je het nog wel zitten?', maar dat gaat ten diepste wel over hetzelfde.'

Zijn boek is vooral voortgekomen uit de behoefte om te midden van 'alles wat we met alle veranderingen kwijtraken' terug te kijken: ,,Je beseft steeds beter hoe je gevormd bent door alles wat je hebt meegekregen, de bron waaruit je blijvend put. Ik begin steeds meer te merken hoe kostbaar ik dat vind - en dat wilde ik doorgeven.'

Huiver om al die persoonlijke ervaringen aan de openbaarheid prijs te geven heeft Verboom niet gehad. ,,Ik ben opgegroeid in een klimaat waarin met vrijmoedigheid over deze dingen werd gesproken. De ruimte en de veiligheid was er om op een bijna naïeve manier te vertellen wat je beleefde. Waar ik wel last van gehad heb is de mogelijkheid dat ik mezelf onbedoeld tot norm voor anderen zou maken. Dat is nooit mijn bedoeling geweest.'

Bij de lichte gêne van de buitenstaander over de uitstalling van zoveel tere kost kan hij zich maar met moeite iets voorstellen. Verboom schrijft die onbevangenheid mede toe aan de aard van de bevindelijkheid in Kollum. ,,Die was heel ruimhartig. Het gaat niet om jouw geloofsbeleving, maar om de vraag 'wie is God voor jou'. Dat wil je laten zien. Er was bij ons niet zoveel sprake van de antithese -de gelovige tegenover de boze wereld- dat was in Kollum meer iets van de Kuyperianen. Als het ging over zonde had je genoeg aan jezelf. De wereld zat toch vooral in je eigen hart. Dan denk je ook niet zo krampachtig over het gênante van die geloofsuitingen.'

Voortbordurend op het thema van de veranderingen en de moeite om op een goede manier te spreken over geloofservaring, geeft Verboom aan dat hij niet pessimistisch is. ,,Er zijn in onze kringen twee uitersten. Er is een trend van 'we zijn gered, retteketet', die al te gemakkelijk van genade en verlossing uitgaat. Aan de andere kant is er de neiging om de individuele bekering in een schema onder te brengen, waarbij je verschillende stadia van zondebesef moet doorlopen. Dat slaat ook dood. Tussen die twee moeten we een weg zoeken. Maar daar waar het op een eenvoudige, gunnende manier wordt gebracht, daar bewaart het zichzelf. Laten we het verleden niet verheerlijken.'

Wim Verboom: Het bevindelijke nest. Groen. 144 blz., ISBN 90-5829-311-4, euro12,95.

mailIcon print |