*

 

Afscheid

Mart Smeets − 11/01/03, 00:00

Het 'partir c'est mourir un peu'-syndroom stak weer even de kop op in de Nederlandse sportwereld. Aron Winter, voetballer in uitgerangeerde toestand, werd door Ajax bij het oud vuil gezet en Jacco Jan Leeuwangh, sprintend schaatser in het bezit van nog een contract, besloot zelf een streep onder zijn loopbaan te zetten.

Was het toevallig dat we hier met twee 'aardige' mensen te maken kregen en dat hun terugstappen met behoorlijk wat sentimenten omgeven werd? Winter was jarenlang international, schuimde de Italiaanse velden af, behield voortdurend de uitstraling van een ietwat zachte, maar vooral nuttige speler en molk zijn carrière op fraaie wijze uit. Hij speelde 84 maal voor Oranje en toen ik een snel hoogtepuntfilmpje van hem zag, kreeg ik een prettig gevoel toen ik hem in zijn finest hour tegenkwam: als aanvoerder van Oranje voor de wedstrijd tegen Zuid Afrika in 1997. Winter leidde Nelson Mandela langs de oranjejongens en deed dat op een mooie, zachte, beschaafde manier, waaruit respect en misschien ook wel een beetje onderdanigheid ten opzichte van de beroemde staatsman sprak. Eigenlijk had de voetballer toen zijn loopbaan moeten beĆ«indigen: dat was een waar hoogtepunt, maar de verslaving voor het spelletje won en hij dobberde nog een paar jaar te lang door.

Hij is een dure klant en de verlieslijdende voetbalclub deed wat veel eerder gedaan had moeten worden, maar dan wel chiquer: Winter werd gezegd dat hij kon opkrassen.

Zo'n moment komt altijd verkeerd, maar is onafwendbaar en dus ook weer natuurlijk. Sportmensen weten nauwelijks wanneer hun carrière begon, maar herinneren zich tot in de lengte der jaren wanneer er een einde aankwam.

Leeuwangh, een zeer sociaal levend schaatsmens, voormalig wereldrecordhouder en vooral een hele aardige vent, bepaalde dat moment zelf, maar makkelijk ging het niet. De tweede huid van de dagelijkse training, het bijna als opium smakende gevoel van de zelfkastijding en het fijne gevoel goed geld te kunnen verdienen met het rijden van uitgekiende 500 en 1000 meter races, had hij na lang wikken en wegen afgelegd.

Leeuwangh was een hele speciale topper, eentje van het (zo het leek) zachte ras. Altijd in de weer met anderen, hulpstuk van zijn dominante coach, wollig in zijn doen en laten en vooral kwetsbaar. Hij deelde met zijn publiek de lijdensweg van zijn zwaar zieke vader en ook dat maakte hem zeer kwetsbaar.

Winter is financieel binnen, Leeuwangh kan het even uitzingen omdat hij in de hausse van de schaatssponsoren geld verdiende. Beiden zullen het zwarte gat passeren, zo het lijkt.

Toch is het altijd een aardige, steeds terugkerende vraag: wat gaan zulke sportmensen doen als de routine van de training, het reizen en het spelen verdwenen is? Welke andere automatische handelingen komen daarvoor in de plaats en hoe lang hebben die lui nodig om daar dan weer aan te wennen? Wie dient die nazorg toe? Zij zelf, zo lijkt het.

En: kunnen ze dat? Mensen die sociaal waren in hun sportieve bestaan lijken dan heel even kwetsbaar en naakt in hun bestaan. Kunnen zij een harde, meedogenloze beslissing zelf ten goede keren? Dat is het interessante aspect aan topsporters die plotseling, maar toch niet onverwacht stoppen.

Winter had twee clubs te veel meegemaakt, Leeuwangh werd ineens verslagen door onbekende, jonge tegenstanders. Hun beider laatste rondes werden eerloze acties. Dan is het goed te gaan met het hoofd hoog en een traan in de ooghoek.

mailIcon print |