*

 

Vroeger, toen niemand gek of homo was

door Afra Botman − 11/01/03, 00:00

De revoluties in het huishouden in de vorige eeuw werden veroorzaakt door de komst van de stofzuiger en de wasmachine. En door het aardgas, waardoor veel huizen centrale verwarming en douchegeisers kregen. Door televisie en radio en de auto, waardoor men in de vrije tijd andere dingen ging doen dan spelletjes, lezen of muziek maken.

Over de veranderingen in het alledaagse leven gaat het boek 'Huishouden, huwelijk, gezin. Huiselijk leven in de 20ste eeuw', van Pieter Stokvis. Hij ondervroeg 26 mensen uit verschillende generaties en achtergronden. Wat aten ze, hoe laat, en hoe? Hoe ging het vervoer, wat voor sport beoefenden ze?

Op het eerste gezicht levert dat niets opzienbarends op, de verhalen kennen we wel: tot in de jaren vijftig een keer per week in de teil. De beter gesitueerden deden aan tennis, de anderen aan gymnastiek en zwemmen. In de eerste helft van de vorige eeuw at men tussen de middag warm. Wie het niet breed had kreeg lang niet alle dagen vlees. Katholieken aten op vrijdag vis. Het zijn verhalen uit de oude doos, vooral voor 40-plussers herkenbaar en vermakelijke gespreksstof.

Eén telefoon

Stokvis wil vastleggen wat veel mensen zich nu nog levendig herinneren, maar wat snel vergeten zal zijn na de dood van de vooroorlogse generatie, de belangrijkste zegslieden in zijn onderzoek. Hij heeft gelijk, gezien de snelle ontwikkelingen. De tijd dat er maar één telefoon in huis was, of geen(!), dat er per straat één televisie was en dat voor een nieuwe auto van een buurman de buurt uitliep, ligt nu al zo ver achter ons dat het weemoed oproept, en ongeloof.

Alleen al het doen van de was, zonder machine. Dat gebeurde bij iedereen op maandag, al dan niet met een huishoudelijke hulp. Weken, wassen, wringen, uithangen en daarna strijken. Het sloverige beeld van vrouwen met schorten en het weerzinwekkende idee van een keer per week schoon ondergoed aantrekken wordt er wel een stuk begrijpelijker door. Jammer genoeg rept niemand in het boek van de geur van de niet zo schone kleding. Toch moet een klaslokaal in 1930 heel anders geroken hebben dan tegenwoordig.

De wankele samenhang van het zuilenstelsel, de standsverschillen, het feit dat de man de baas was in huis en de bekrompen seksualiteit zijn ook geen omstandigheden om naar terug te verlangen. Homoseksualiteit bestond niet, zielsziekten evenmin. Of het werd genegeerd. Een depressie heette destijds: zwakke zenuwen.

De partnerkeuze was niet zo vrij als we nu willen geloven. Jongeren op huwbare leeftijd kregen de boodschap dat ze iemand moesten kiezen binnen eigen sociale klasse, kerk, en leeftijdgroep. En ook graag voor je 25ste, anders werd je zielig.

Wat duidelijk blijkt uit de studie van Stokvis, is hoe overzichtelijk het leven was. Mensen wisten waar ze bijhoorden en hoe ze zich moesten gedragen.

Ondervraagde Johanna Post, die in een streng christelijk milieu opgroeide, vertelt daarover: ,,In ons calvinistische milieu was sprake van hiërarchische maatschappijopvattingen. Binnenskamers werd iedereen onderuitgehaald, maar buiten werden dezelfde mensen hovaardig of onderdanig gegroet. Je hield de vuile was binnen. Voor leerkrachten was vernedering van het kind normaal. Liefde heb ik in mijn jeugd erg gemist.''

Stokvis ondervroeg een beperkte groep, van 26 mensen, van wie er twintig voor de oorlog zijn geboren. Zes komen uit de gegoede burgerij, elf uit de middenstand en drie uit de arbeidersklasse. De overige zes zijn vrouwen, van na de oorlog. Geen representatieve groep, geeft Stokvis toe, maar hun ervaringen zullen toch herkenbaar zijn voor generatiegenoten.

Onzichtbare vrouwen

Een fijnmazige studie is het niet geworden. Het is orale geschiedenis, die geen verbanden legt met economische of politieke ontwikkelingen. Er zit geen nostalgisch sausje over. De clichés 'Vroeger waren de mensen armer, maar tevreden' of 'Iedereen kende zijn plaats' krijgen geen voedingsbodem. Maar wie klaagt over het drukke en complexe alledaagse leven van nu, zingt na lezing van dit boek wel een toontje lager. Vooral duidelijk wordt waarom vrouwen zo weinig zichtbaar waren in de buitenwereld en op de arbeidsmarkt. Ze waren aan het schoonmaken, of aan het wecken, aan het wassen, naaien, strijken of koken. Zoals een van de geïnterviewden zegt: ,,Vader was altijd moe, had rust nodig na zijn werk. Moeder was ook altijd moe, maar vond het haar plicht om door te gaan.''

Je zou er achteraf alsnog zwakke zenuwen van krijgen.

mailIcon print |