Vandaag precies veertig jaar geleden, 18 januari 1963, werd de meest barre der Elfstedentochten ooit verreden. In het collectieve geheugen van de Nederlanders leeft die tocht voort als een mythe, net als de naam van de winnaar: Reinier Paping.
Iedereen weet van de omstandigheden destijds: onberijdbaar ijs, 18 graden vorst en een gierende oostenwind. Een paar beelden zijn ook blijven hangen: tv-verslaggever Arie Kleywegt die bij het bruggetje van Barthlehiem Paping achterna rent om hem een vraag te stellen; de uitgeputte Paping die de finish haalt, terwijl hij achterna wordt gezeten door een baanveger op klompen; koningin Juliana en Beatrix die hem even later feliciteren.
Maar wat is er nog meer bekend over die tocht? Over de tourrijders die na de wedstrijdrijders nog uren door het donker moesten zwoegen en klunen om op tijd binnen te zijn? Het verhaal van de tourrijders, het verhaal achter de mythe, daarnaar is Marnix Koolhaas op zoek in zijn radiodocumentaire 'Fata Morgana in een Sneeuwwoestijn'. De documentaire maakt deel uit van het project 'De mannen van '63'. Daartoe behoren ook de publicatie van het gelijknamige boek (uitgegeven door Van Wijnen in Franeker); de website met verhalen, foto's en archiefstukken (www.vpro.nl/elfstedentocht) en radioportretten van 'De mannen van '63'.
Dat Koolhaas, radiodocumentairemaker van de VPRO uitgerekend dit project heeft aangepakt, is het gevolg van belangstelling en geluk. Enkele jaren geleden kwam hij erachter dat de 69 gefinishte tourrijders (van de tienduizend die waren gestart) enkele weken na de tocht een enquêteformulier hadden ingevuld over hun wederwaardigheden. Die formulieren bleken er nog te zijn.
Koolhaas: ,,Ik ben altijd al gefascineerd geweest door de relatie tussen het schaatsen en de Nederlandse geschiedenis. Het is een nationale volkscultuur, de enige echte die we hebben, door alle grenzen van de verzuiling heen. Er hebben immers nooit rooms-katholieke of protestantse schaatsverenigingen bestaan. Onder gereformeerden is het nog een strijdpunt geweest of je op zondag mocht schaatsen. Als de Heer zelf het had laten vriezen, dan golden er misschien wel andere normen.''
,,De verhalen van de tourrijders uit 1963 zeggen iets over Nederland in die tijd, over de normen en waarden, de volksaard. De generatie van de mannen van 1963 is geboren in de jaren dertig. Ze hadden het allemaal thuis niet breed. Kinderen van middenstanders en boeren. Eind van de oorlog waren ze volwassen. Zij hebben de wederopbouw voor hun rekening genomen. Zij zijn representanten van het oude Nederland: blank, hard werkend, niet te beroerd de handen uit de mouwen te steken. Henk Gemser, de latere schaatscoach, was toen 22. Hij is zo iemand die zegt: waar je aan begint, dat maak je af. Vanuit die houding reed hij de tocht uit. En zo waren ze allemaal.''
,,Reken maar dat de ontberingen voor de tourrijders tien keer erger waren dan voor Paping. Want toen het donker werd, werd het kouder en begon het harder te waaien. Dat er geen doden zijn gevallen, is een groot wonder. Er zijn mensen halfbevroren teruggevonden in de weilanden. De organisatie heeft alles gedaan om mensen tegen te houden. Dus ze wisten wel hoeveel rijders nog onderweg waren. Maar waar ze precies uithingen wist niemand. De vaarten waren dicht gesneeuwd tot op de hoogte van de weilanden. De schaatsers konden dus het verschil niet meer zien. De laatste tien kilometer kluunden ze door de weilanden. Het waren taferelen, te vergelijken met de overwintering op Nova Zembla. Ontberingen die de mensen vrijwillig waren aangegaan. Uit passie gingen ze maar door. Onvoorstelbaar. Een man uit Brabant heeft nog tot twee jaar na de tocht gehallucineerd.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.