Het was prachtig en het kan morgen of overmorgen weer gebeuren, want de winter is nog jong. Het had in de nanacht gesneeuwd. In de morgen lag er minstens drie centimeter op de takken van bomen en struiken.
Een dikke stam van de dertig jaar oude vlier was onder het gewicht van de sneeuw bezweken. Niet erg, want een aantal grote takken was al een paar jaar dood. Jammer alleen van de judasoren, de roodbruine trilzwammen die hoofdzakelijk op oude vlieren groeien. De stam ligt nog dwars over de vijver, een schilderachtig gezicht.
Teckel Joris moest naar buiten. Met scheef gehouden kop fixeerde hij me. Na de koffie stapten we op. Het park achter de huizen was haast onherkenbaar. Sneeuw lag op de diep doorbuigende takken van de hoge cotoneasters met hun stugge hardgroene blad en vuurrode bessen. De bottels van de hondsrozen droegen witte mutsen.
Wilde rozen
Met de egelantier is de hondsroos onze meest algemene wilde roos. Het verschil tussen beide is in de zomer te ruiken: als je over een blad van de egelantier wrijft, ruikt dat naar zure appelen. Het blad van de hondsroos is reukloos. Ook zijn egelantierbloemen donkerder roze, eerder lichtrood, dan hondsrozen. Nu kun je alleen verschil zien in de bottels. Na de bloei vallen bij de egelantier de kelkslippen niet af. Ze blijven als een kroontje van rechtopstaande blaadjes de hele winter aan de bottels. Bij de hondsroos zijn ze aanvankelijk teruggeslagen en vallen ze later af. Net als bij de kleinbloemige en de kraagroos, die zo zeldzaam zijn dat je daar geen rekening mee hoeft te houden. Hoogstens kun je voor hondsroos de heggeroos aanzien, een wilde roos die wel eens in hagen langs wegen groeit.
Gevoerde mussen
In onze buurt huizen al jaren drie groepjes mussen. Ze worden dagelijks door de omwonenden gevoerd. Ze tsjilpten boven in de vuurdoorns aan de rand van een tuin. Een houtduif koerde ergens in de besneeuwde boomkruinen.
De hemel was effen blauw, het wit van de sneeuw deed pijn aan de ogen. Elke tak, elke twijg was belijnd door een laag sneeuw, die snel wegsmolt in de zon. De fijne twijgen van de krenten en andere struiken hingen vol heldere druppels, die flonkerden in het tegenlicht. Drie, vier druppels vonkten saffierblauw tussen de vele gouden en zilveren, die de zonnestralen duizendvoudig doorzonden. Dan was er plotseling een druppel fel oranjegoud, een andere citroengeel. Een landende koolmees veroorzaakte een bui van glinsterende druppels. Meteen hingen de takken en twijgen weer vol nieuwe diamanten. Ik keek ademloos toe en vergat de tijd.
De witte polder
Witter dan wit was de besneeuwde polder. Een haas stoof op uit een slootkant, een wolk sneeuwkristallen opjagend. Een donker figuurtje in het witte land.
In een knotwilg begon een koolmees te zingen: 'titifu-titifu-titi...', steeds herhaald. Een enkele keer leek hij zich te vergissen en zong hij 'titifu-titi...' of 'titifu-titifu-titifu-titi...'
Uit een hulst bij een boerderij rukten koperwieken rode bessen, die niet ten offer waren gevallen aan de kerst. Deze lijsters uit het noorden komen nu niets te kort, want in de tuinen dragen de cotoneasters rijkelijk vrucht en zitten de meeste meidoorns ook nog vol rode appeltjes. In een pestbosje had een merel de sneeuw weggeschoffeld om te zien of er in de bovenste humuslaag toch nog regenwormen huisden. Joris deed daar een plas op.
Eenden en meeuwen
In de gemeentevijver spetterden de eenden. Ze kwamen meteen naar de oever gezwommen in de verwachting dat ik voer bij me had. Negen kokmeeuwen voegden zich erbij, allemaal nog met winters witte kop met donkere oorvlekjes, soms verbonden door een dun grijs lijntje over de schedel. Op de oever had een reiger rondgebanjerd. Dat zag je aan het spoor van grote prenten. Bij reigers lijnt de achterteen niet met de grote middelste teen. Daardoor lijkt de afdruk scheef.
Zwart staken de takkennesten van eksters en kraaien af tegen de hemel. Een enkele ekster bouwde al. Dat zegt niet echt dat het nest bewoond zal worden.
Lege nesten
Een eksterpaar maakt niet zelden een paar nesten tegelijk, waarvan ze er maar een betrekken om er eieren in te leggen en jongen groot te brengen. Er is een manier om daarachter te komen. Bij het nestelen laten eksters vaak twijgen vallen. Als je die allemaal opraapt en meeneemt en daarna geregeld controleert of er nieuwe twijgen zijn gevallen, weet je in elk geval dat er nog steeds aan het nest wordt gebouwd.
Nu de bomen en struiken kaal zijn, vind je overal nesten, die in de zomer verborgen bleven. Grasmus, braamsluiper en tuinfluiter maken losse bouwsels van hooi, worteltjes en dunne plantenstengels met veel haar en spinnenpluis, vink en groenling diepe en stevige kommetjes van mossen, korstmossen, pluis, veertjes en plantenworteltjes op dikke takken. Winterkoning en staartmees bouwen een bolvormig nest met een zijdelingse opening. Het nest van de winterkoning bestaat bijna helemaal uit grasstengeltjes, mos en boombladskeletten en is zacht gevoerd met veertjes. Dat van de staartmees is voornamelijk van mos, dat met spinrag en haar bij elkaar wordt gehouden en aan de buitenkant helemaal is bedekt met korstmos en schorsschilfers. Een uitstekende camouflage, ook omdat het meestal wordt gebouwd in een vork van dikke vliertakken of in een dichte conifeer.
Het talrijkst zijn de nesten van merel en zanglijster. Ze zijn van ineengevlochten gras, dorre bladeren en worteltjes en er is doorgaans ook modder in verwerkt, in zanglijsternesten keurig gladgestreken.
www.trouw.nl/henkvanhalm
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.