Als jong land van oud-revolutionairen heeft Eritrea, net als Zuid-Afrika, een taalpolitiek die de negen etnische groepen gelijkstelt. Elk kind heeft recht op onderwijs in de eigen taal. Dat klinkt goed, maar wat is de praktijk?
Eritrea is achtereenvolgens bezet geweest door Italië, Engeland en Ethiopië. ,,Na een lange strijd werden we in 1991 onafhankelijk'', vertelt taalwetenschapper Chefena Hailemariam. ,,Maar voor die tijd was al duidelijk dat Eritrea een taalpolitiek wilde, die alle culturen gelijk zou stellen.'' Die politiek kwam er in 1991.
Chefena (47) promoveerde onlangs aan de Universiteit van Tilburg op taalonderwijs in zijn vaderland. ,,In het jaar 2000 werd er in onze hoofdstad Asmara een conferentie gehouden over Afrikaanse talen.'' De daar geformuleerde Verklaring van Asmara stelt dat alle Afrikaanse kinderen recht hebben op onderwijs in de eigen taal. Een delicaat onderwerp omdat in veel Afrikaanse landen met hun willekeurig getrokken grenzen, etnische verschillen de eenheid bedreigen.
,,Er is niets mis met trots zijn op je eigen afkomst, zolang je de eenheid niet opgeeft'', stelt Chefena. De facto gebruikt de overheid twee werktalen: Tigrinya en Arabisch. Grote angst van de regering is dat de Arabisch-sprekende moslims de voorkeur geven aan de pan-Arabische gedachte. Door tegenover de christelijke Tigrinya (vijftig procent van de bevolking) te komen staan zouden zij dan de nieuwe eenheid bedreigen. ,,De regering staat daarom niet toe dat je jezelf christen of moslim noemt.''
Dat is ook in haar eigen belang omdat zij vooral uit Tigrinya bestaat. De Tigre (moslims, dertig procent van de bevolking) verwijten de regering op hun beurt dat zij door het Arabisch klein te houden, het Tigrinya promoot.
Op tv worden drie talen gebruikt, op de radio zes. In de kranten werd in 2001 een levendig debat gevoerd over taalonderwijs. ,,Sommigen willen liever dat hun kinderen Arabisch of Tigrinya leren dan hun moedertaal omdat je daar meer aan hebt dan aan Hidareb of Kunama.'' De regering schrok zo van de kritiek dat ze alle kranten verbood. Nu is er nog één regeringskrant, in Tigrinya en in Arabisch.
Chefena onderzocht de taalpraktijk in het lager onderwijs, en of het beleid om iedereen gelijke kansen te geven werkte. ,,Drie talen werden nog niet onderwezen. Voor de Hidareb, een kleine groep ver weg, was er één iemand gevonden om les te geven. Die kreeg een opleiding in Engeland maar bleef weg.''
Elk kind moet naast zijn moedertaal één hoofdtaal, Tigrinya of Arabisch, leren. Het middelbaar onderwijs gebeurt in het Engels. Belangrijkste kritiekpunt van Chefena is dat ,,sommige kinderen drie talen en drie schriften moeten leren. Jullie Latijnse schrift, Arabisch en het schrift voor Tigrinya. Soms wordt de helft van de leertijd daaraan besteed. Een school wordt zo een taalinstituut.''
Chefena stelt dat je positie wel beter wordt als je meer talen spreekt, maar dat kinderen uit minderheidsgroepen zo nóg meer moeten leren om te overleven. ,,Gelijke taalrechten lijkt democratisch. Maar taalkundigen zijn al verder. Waar het werkelijk om gaat is of minderheden nu verder komen en hoevelen de universiteit bereiken.''
Het gelijke-rechtenideaal verschrompelt tot een lege huls als Chefena vertelt dat het analfabetisme in Eritrea vorig jaar 47 procent was. Hoeveel kinderen er naar school gaan? Hij weet het niet precies, maar het ligt daar waarschijnlijk niet veel boven. ,,Tja, de lange oorlogen hebben ons leven enorm beïnvloed.'' Waarom president Isayas in 1999 weer een oorlog begon met Ethiopië is de Eritreeërs nooit helemaal duidelijk geworden. Goed voor het onderwijs is het niet geweest, dat mag duidelijk zijn.
Wat de kinderen zelf willen? Zij vinden het Engels en Arabisch het nuttigst voor hun toekomst. Chefena's meisjes leren thuis Tigrinya en Engels. ,,En ze gaan naar een Italiaanse school, daar geven ze het beste onderwijs.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.