*

 

Ephimenco

Sylvain Ephimenco − 09/01/03, 00:00

Ik zag haar aan het einde van de straat plots opduiken. De oude vrouw met de leegte in haar ogen.

Voorzichtig schoof ze tussen de witte reepjes en vlekken door die de voorbije nacht stiekem tijdens onze slaap had gelegd. Nog net geen spook en toch al een verschijning. Althans voor mij die haar bijna uit het geheugen had gewist. Hoelang geleden was het niet dat zij voor het laatst haar hand op mijn arm had gelegd? Een, twee jaar? Ik kwam haar in die tijd alleen bij mooi weer tegen. Daarom moest ik nu even met mijn ogen knipperen. Het was steenkoud en met deze besneeuwde en gladde ondergrond zie je bijna geen oudere mensen buiten lopen. Ze liep traag, op nog geen twintig meter van mij, alsof de laatste restjes van haar bewustzijn zich in haar aarzelende pas hadden verzameld. Vroeger, toen ze nog echt leek, dwong ze me te stoppen door mij bij mijn arm te grijpen. Haar lege ogen gleden dan langs me heen en het was nog een kwestie van wachten op haar vraag. Altijd dezelfde, als een mechanisch ritueel. 'Gelooft u in Jezus?' En voor ik had kunnen antwoorden, volgde haar tweede vraag. Altijd dezelfde tweede vraag. 'Maar heb ik u dat niet eerder gevraagd, meneer?' Bij onze eerste ontmoeting heb ik glashard 'ja' gelogen. Uit haast en vrees voor een ongevraagde preek. Tot mijn verbazing reageerde ze bijna opgelucht en vervolgde haar weg. 'Neemt u me niet kwalijk meneer.' Wat haar geheugen haar niet meer kon schenken, de bevestiging van haar vergane evangelisatiedrift, zocht ze nu bij anonieme passanten. Onze daarop volgende ontmoetingen, een stuk of vijf in twee of drie jaar, verliepen niet anders. Alleen sprak ik voortaan altijd de waarheid. Kort en voorspelbaar scenario: twee vragen, een antwoord, een verontschuldiging. Totdat ze uit mijn zicht verdween. In het begin van haar lange absentie begon ik ons ritueel te missen. Waarschijnlijk had ze Jezus en haar wankelende herinneringen naar een verpleeghuis meegenomen. Later vergat ik de oude vrouw met lege ogen. Maar nu ze voor mij stond was ik degene die opgelucht was. Na een zo lange afwezigheid zou ik eindelijk mijn prille leugen van toen goed maken. Door opnieuw te liegen. 'Nee, mevrouw, u heeft me dit nooit gevraagd.' Ze gleed door de sneeuw. Langs me heen. Zonder haar lege ogen op mij te richten. Zonder een woord of een hand op mijn arm. Ze verdween om de hoek van de straat, achter het transformatorhuisje.

mailIcon print |