*

 

Rampgebied

Bert Keizer − 09/01/03, 00:00

Andermans huishouden, wat zal je je ermee bemoeien? Tenzij ze de boel op straat gooien, want dan mag je meedoen met klagen, lachen of huilen. Nou vergeet ik mijn favoriete werkwoord rond andermans huishouden: oordelen.

Hans Warren gooit de boel al jaren op straat in zijn 'Geheim Dagboek' en daar wordt heel gunstig over geoordeeld. Ook het laatste deel raad ik u zonder meer aan, al is het maar omdat je zelden een zo heldere lamp ziet branden in een zo schamele woning.

Warren was er lichamelijk slecht aan toe in zijn laatste jaar. Hij leed aan levercirrose, een ziekte die onder andere enorme vochtophoping tot gevolg heeft in de buik, waardoor een mens wel tien tot twintig kilo zwaarder en onhandelbaarder wordt bij opstaan, wassen, aankleden en vooral ook bij toiletgang. Opstaan vanaf de wc-bril is een alom onderschatte manoeuvre, dat lees je nog eens duidelijk in deze kroniek van lichamelijk ongemak.

Warren deelt het leven met Mario Molegraaf en hoewel ik het wel weet uit mijn dagelijks werk, zag ik het in dit dagboek nog eens op akelige wijze beschreven. Langdurig voor een zieke zorgen is geen doenlijke opdracht, hoeveel je ook van elkaar houdt. Als van twee gelieven één in de versukkeling raakt en zich als een drenkeling gaat vastklampen aan de ander die het nog redt, ontstaat er vrijwel altijd een omarming die zo beklemmend wordt dat de gezonde zich er desnoods met geweld uit zal trachten te bevrijden.

Lichamelijk en geestelijk geweld. De lichamelijke variant is zo weinig zeldzaam dat er in het Engels een standaarduitdrukking voor bestaat: granny bashing. Maar granny slaat ook terug. Je kunt je huisgenoot immers kapot tiranniseren met je hulpvraag. Ik moet weer plassen, ik lig niet goed, ik ben te moe voor die verjaardag, ik heb er naast gepoept geloof ik, je legt altijd de verkeerde trui klaar, je weet dat ik niet tegen deze handdoek kan, als je zo begint te schreeuwen ben ik liever dood, was ik maar dood, jij wilt me toch dood?

Deze machtsspelletjes doen zich ook voor in het verpleeghuis, maar het verloopt daar milder omdat de geterroriseerden een groep vormen die kan uitwaaieren om even buiten bereik te zijn. Zo gaat dat niet in de huiselijke kring. Er is maar één slachtoffer, bij dag en bij nacht, week in week uit, maand in maand uit. En die wordt bijna altijd gek.

Hans Warren klaagt maandenlang heimelijk over zijn verzorging in het dagboek, waarvan hij wist dat Molegraaf het na zijn dood zou lezen. Dagboekschrijvers schrijven meestal een brief aan hun latere ik, of een brief aan de wereld, een brief in dit geval aan ons over Molegraaf die er machteloos mee in zijn handen staat, te kijk gezet door zijn 'slachtoffer'.

De treiterige sfeer die opbloeit tussen deze twee mannen rond het verschil in zelfredzaamheid is ongelofelijk giftig. Als Warren een paar keer lelijk valt op de wc, wordt hij daar niet voor getroost maar krijgt hij genadeloos op zijn lazer omdat hij dat alleen maar doet om Molegraaf zijn geplande uitje naar dit of dat te saboteren.

Hoewel Warren echt dodelijk ziek is, wordt hem door Molegraaf verweten dat hij altijd zo overdrijft, zich niet zo moet laten gaan, dat hij oefeningen moet doen en dus dat hij mee uit moet naar musea, uitzichten, kijkdagen, restaurants en vrienden in Zeeland, Blaricum, Limburg, Brussel, Bonn, Noord-Frankrijk, Haarlem, Luxemburg, Den Bosch, de Ardennen, en de arme man haat die uitjes, die hem tergen en vernederen. Want hij is bang om in zijn broek te poepen, hij kan nauwelijks traplopen of de auto in en uit komen.

Het mag een wonder heten dat Warren, al lag hij dan lichamelijk in de goot, oog hield op de sterren: de natuur en zijn verzameling en ondanks alles de dankbaarheid jegens Mario, zonder wie hij allang niet meer thuis zou kunnen zijn. Dat hij de liefdevolle aandacht voor de mooie dingen die ze samen zo graag kochten tot op het laatst bij zich had, is een bijzondere zegen die hij graag blijft noemen in zijn dagboek.

Dat Gerrit Komrij de gedichten die Warren over zijn aanbeden kunstvoorwerpen schreef zo nodig vlak voor het graf nog even recht in zijn gezicht terug moest duwen, is daarbij een bijzondere vloek waarvoor Gerrit wat mij betreft met een niet meer weg te slikken aanval van de gevreesde singultus vaginalis (*) bezocht mag worden.

In een gesprek in Trouw van 19 december 2002 maakt Molegraaf zich zorgen over verontwaardigde reacties van lezers over zijn beroerde rol als verzorger.

Ik zou me er weinig van aantrekken. Alleen sukkels die daar nooit geweest zijn, weten hoe je zoiets moet aanpakken. Als vakman verbaas ik mij over het feit dat de hulpverleners rond Warren zo laat, of helemaal nooit, met luiers, toiletverhoging, handgrepen, katheter, hoog-laagbed, aandacht voor Molegraaf, gescheiden slaapvertrekken en respijtzorg zijn aan komen zetten.

Als mens kan ik over Molegraaf slechts zeggen: ik neem ootmoedig mijn petje voor hem af, want hij heeft zich samen met zijn stervende vriend een weg moeten zoeken door een rampgebied. Achteraffers weten altijd betere routes, maar niemand die Molegraaf of Warren tijdens de vreselijke tocht op een kaart heeft gewezen.

mailIcon print |