*

 

Te nostalgisch over 'onvergetelijke leraar'

Alphons Moret − 09/01/03, 00:00

Veel onderwijsmensen zullen zich in het verhaal 'De onvergetelijke leraar' van Jan Siebelink (de Verdieping, 4 januari) herkennen en het met de strekking eens zijn. Zijn conclusie: laten we toch proberen terug te keren naar de ouderwetse leraar, de goed opgeleide academicus, die het weet en die het fijn vindt die kennis over te dragen op leerlingen die het niet weten.

Op zichzelf is daar niets mis mee. Het is een hartenkreet vanuit het veld. Jammer is wel, dat een analyse van mogelijke oorzaken ontbreekt. Zo'n analyse hebben we nodig als we ontwikkelingen willen bijsturen. Er is een aantal mogelijke verklaringen voor de onderwijsdepressie. Ten eerste is er het probleem van de kennisexplosie. Vroeger kon men nog volhouden te weten welke kennis voor de leerling later relevant zou zijn. Dat is voorbij. De kennis die de mensheid beschikbaar heeft is zo gigantisch geworden en ontwikkelt zich zo razendsnel, dat de vraag welk deel daarvan op een school thuishoort steeds moeilijker te beantwoorden is. Dat de inhoud van het onderwijs voortdurend ter discussie staat schept onrust, maar is onvermijdelijk. Een tweede verklaring is dat scholen een maatschappelijk verschijnsel zijn. Toen de burgerij opkwam in de negentiende eeuw ontstond de Hogere Burger School. Het vakkenpakket van die hbs sloot beter dan het gymnasium aan bij wat de kaders van de zich ontwikkelende handel en industrie nodig hadden. Zo gingen na de oorlog veel meer kinderen voortgezet onderwijs volgen: een onderwijsexplosie. Het aanpassen van het onderwijs aan die stroom van verschillend begaafde kinderen is nog altijd niet afgerond. De gebrekkige lerarenopleiding is een derde probleem. Door de onderwijs explosie is de behoefte aan leraren veel groter geworden. Die moeten allemaal opgeleid worden. Ook daarbij is veel mis gegaan (schrijver dezes hoort tot de opleiders van de jaren zeventig). Maar het is dan ook verre van eenvoudig. Ook daar is de vraag: welke kennis hebben de studenten nodig om later goed te functioneren? En hoe kun je goed vaststellen of iemand geschikt is voor het leraarschap? Het vierde punt is dat leren niet eenvoudig is. We weten inmiddels dat 'overhevelen', hoe enthousiast ook gedaan, zelden de goede manier is. Aan de ontwikkeling van didactiek moet nog veel gedaan worden. Het geven van wiskundeles in een vwo-klas met bèta's vraagt een andere aanpak dan het geven van Engels in een vmbo-school. Met die onzekerheid over 'de beste aanpak' moeten leraren leven. Vraag ten slotte in een gezelschap van ouderen naar het aantal leraren aan wie zij dierbare herinneringen hebben. Dat zijn er vaak maar heel weinig en herinneringen aan afschuwelijke figuren komen ook vaak voor. De heel goede zijn de begenadigde uitzonderingen. Het is waar dat de geboren verteller in de klas tegenwoordig minder tot zijn recht komt. Maar andere facetten van het leraarschap komen weer meer aan bod. Wat mij deugd deed was de ondertoon in Siebelinks verhaal. Ondanks al zijn kritiek en frustraties klonk er het plezier in door dat hij beleeft aan het lesgeven. Wie dat niet heeft, hoort niet in het onderwijs thuis.

mailIcon print |