In 2015 moet het aantal armen in de wereld met de helft zijn verminderd. Vooral Afrika baart zorgen. Maar welk medicijn moet worden toegediend? De Amerikanen kiezen sterk voor handel, de Nederlanders denken aan een dosis hulp en handel. En de Fransen? Die kunnen maar moeilijk loskomen van de verdediging van het eigen belang. Wat is de waarde van de door de Verenigde Naties aanvaarde norm om 0,7 procent van het bruto binnenlands product aan hulp te besteden?
Zoellick stopte in Pretoria om met Botswana, Lesotho, Swaziland en Zuid-Afrika te praten over een vrijhandelsverdrag met de Verenigde Staten. Geen woord werd gerept over de aidsepidemie in de regio, wel over handel. Zoellick noemt de reis een opening van een nieuw tijdperk, een kans op economische vooruitgang voor de mensen van zuidelijk Afrika door toegenomen handel. Er worden nieuwe banen voorspeld en een toegenomen ontwikkeling van de basisvoorzieningen. De basis daarvoor moet worden gelegd door economische groei.
De Amerikanen geloven niet zo in hulp. Aan bewustwording van de problemen in de ontwikkelingslanden wordt in de VS nauwelijks geld besteed. Ter vergelijking: waar in Nederland bijna twee dollar per hoofd van de bevolking wordt uitgegeven aan voorlichting krijgt de gemiddelde Amerikaan voor 0,003 dollar educatie over armoedeproblemen. Al jaren accepteren de VS moeiteloos het vooral Europese verwijt dat de belangrijkste economie in de wereld het laagste percentage van het bruto nationaal product aan steun geeft. En die steun druppelt dan ook nog eens nauwelijks neer in Afrika, de echte regenbui met hulpgeld is zeer plaatselijk: in Egypte en Israël.
Maar de Amerikaanse show gaat door, in Afrika. Op Mauritius komen nu veertig Afrikaanse ministers met Zoellick bijeen voor de top over de Amerikaans-Afrikaanse handel. De Amerikanen willen best meepraten of het wereldwijd vrij maken van de handel in het kader van de wereldhandelsorganisatie WTO. Neemt niet weg dat de VS ook zo hun eigen agenda hebben. De Africa Growth and Opportunity Act (AGOA) uit 2000 moet worden opgetuigd. Duizenden producten uit 38 geselecteerde landen mogen onder die wet tariefvrij de Amerikaanse markt op.
Sinds de aanslagen van 11 september staat Afrika weer op de kaart bij de Amerikanen en heeft AGOA een aanzienlijk grotere betekenis gekregen. Voor de eigen veiligheid kan Amerika dit continent niet negeren. Afrika mag niet ontaarden in een schuilplaats voor terroristische groepen, armoede is een vruchtbare bodem voor de Osama bin Ladens van deze wereld, is de Amerikaanse redenering. En de hulp, of liever gezegd het handelsgedrag, wordt op die redenering afgestemd.
Niet zonder succes overigens, moeten ook sceptici erkennen. In 2001 zijn goederen ter waarde voor 8,2 miljard dollar naar de VS verscheept. Ongetwijfeld wordt dat cijfer voor ongeveer dertig procent vertekend door de invoer van olie uit Nigeria en Angola, maar dat neemt niet weg dat de VS terecht claimen dat zij de EU inmiddels zijn voorbijgestreefd. En dan wordt het effect vergeleken met de opbrengst van de Europese variant van de AGOA, het 'alles behalve wapens'-handelsakkoord.
Belangrijker nog dan de export naar de VS zijn de toegenomen directe investeringen die AGOA teweeg heeft gebracht. Bedrijven, vooral uit het Verre Oosten, hebben zich in Afrika gevestigd; sinds AGOA bestaat hebben zij een miljard dollar geïnvesteerd. De Oegandese president Museveni liet vorig jaar al jubelend weten dat AGOA, met als belangrijkste effect de vrije toegang tot de Amerikaanse markt, zal leiden tot komst van fabrieken in zijn land. Hij zong nog net niet het jubellied over 'Afrikaanse leeuwen' die Aziatische tijgers gaan verslaan. Op vraag of de winst van de Aziatische fabrieken op Afrikaanse bodem ook lokaal geïnvesteerd gaat worden,moest hij het antwoord schuldig blijven.
Veel signalen wijzen erop dat de Amerikaanse buitenlandpolitiek, het hulpvraagstuk en de handelsstrategie naadloos op elkaar beginnen aan te sluiten. Eritrea en Swaziland kregen recent nog een schrobbering van minister Colin Powell (buitenlandse zaken). Als beide landen geen politieke hervormingen doorvoeren, is het uit met de handelsprivileges. Zimbabwe is al van meet af aan buiten gesloten.
Belonen en straffen is de nieuwe houding van de VS ten opzichte van ontwikkelingslanden. Daar is een reden voor. Enkele jaren geleden toonde Wereldbank-onderzoeker David Dollar al aan dat hulp alleen goed gedijt in landen met goed bestuur en goed beleid. De regering Bush borduurt nu voort op die bevindingen. De 'carrot and stick'-methode': goed gedrag belonen en fout gedrag straffen, is ook voor het thuisfront beter te verkopen.
Maar niet alleen de Amerikanen blijken de discussie over de hulp als percentage van het bruto nationaal product als minder relevant te beschouwen. James Wolfensohn, topman van de Wereldbank draait inmiddels plichtmatig de riedel af dat de internationale gemeenschap nu eindelijk eens de norm van 0,7 procent van het bnp moet halen. Maar gevraagd naar een keuze tussen vrijhandel voor ontwikkelingslanden en het opschroeven van de hulp, kiest hij voor het eerste.
In de Nederlandse politieke verhoudingen, en zeker in verkiezingstijd, gaat de discussie over ontwikkelingsamenwerking vrijwel uitsluitend over de handhaving van de internationale norm van 0,7 procent. Het lijkt een debat over niks vooral nu de Amerikanen al jaren niet met de ogen knipperen als het over die norm gaat.
,,In Nederland vind ik die norm -en wij geven 0,7 aan hulp en nog eens 0,1 voor het milieu- van belang'', stelt staatssecretaris Agnes van Ardenne (CDA, Ontwikkelingssamenwerking). ,,Het debat over waarden en normen in de Nederlandse samenleving kent hoogtepunten en dieptepunten. Feit is wel dat we er over discussieren. En in dat debat moet je ook betrekken wat je over hebt voor een ander en waartoe je je zou moeten verplichten. Daartoe hoort ook het afstaan van een deel van je welvaart. Je moet niet alles voor jezelf willen houden. Dat is een kwestie van solidariteit. Solidariteit voeg ik toe aan het rijtje waarden en normen. Solidariteit is de waarde en dan is die 0,8 procent voor mij de norm.''
Ondanks de ongevoeligheid bij de Amerikanen voor de discussie over norm ziet Van Ardenne handhaving van de norm als een onderhandelingstactiek: ,,Vijftig miljard dollar besteden we nu in de wereld aan hulp. We hebben het dubbele nodig om te zorgen dat in 2015 de internationale gemeenschap zijn beloftes over armoedebestrijding nakomt. Dat betekent dat we nog een heleboel landen over de streep moeten trekken om die norm te halen. Als we nu zelf achterover gaan zitten, gaat dat ten koste van je overtuigingskracht. Je wilt vrede en stabilteit in de wereld, je weet dat er grote inkomensverschillen in de wereld zijn en dat mensen daardoor ook op drift raken..... Om die redenen moet je het ook vanzelfsprekend vinden dat wij die 0,8 bijdragen. Het is schandalig dat de VVD als liberale partij dat niet meeneemt in het denken.''
Van Ardenne wil gokken op twee paarden. De omvang van de internationale hulp moet omhoog naar 100 miljard dollar en daarnaast moeten ook de tariefmuren, subsidies en andere marktbelemmeringen voor ontwikkelingslanden worden geschrapt. ,,Als je die 300 miljard dollar die nu aan subsidies en tarieven worden besteed, blijft uitgeven en vervolgens ook nog eens meer geld nodig hebt voor de hulp dan is dat zonde van je geld.'' Vooralsnog heeft die houding weinig opgeleverd. De kans is klein dat in het kader van de onderhandelingen over het akkoord van Doha (Katar) snel tot vrijmaking van de wereldhandel voor agrarische producten wordt besloten.
De norm van 0,7 procent mag dan in het Amerikaanse denken geen rol spelen, Van Ardenne vindt dat zeker in de Europese onderhandelingen die norm wel degelijk een rol speelt. De Belgen, de Fransen en de Britten laten hun hulpbudgetten stijgen. ,,In Europa gaan we zo van 0,33 procent naar 0,4 procent en dat is 6 miljard dollar per jaar extra. Het blijkt dus dat de discussie over die norm wel degelijk helpt.''
De kans dat het effect van die budgetstijging voor ontwikkelingslanden teniet wordt gedaan door langdurige handhaving van Europese landbouwsubsidies is levensgroot aanwezig. In de Nederlandse verhouding mag hulp dan getrokken kunnen worden in een ethische discussie. De Franse minister van landbouw, Hervé Gaymard liet vorige week tijdens een toespraak in Oxford weten pal achter zijn boerenstand te gaan staan. Gaymard wenste absoluut niet afgeschilderd te worden als een zondaar die normen zou overschrijden en waarden niet in acht zou nemen. Frankrijk zal zijn boeren tegen de vrijhandel beschermen, was zijn boodschap. Landbouwproducten zijn meer dan verhandelbare goederen en de landbouw zelf is een onderdeel van de nationale cultuur, is de filosofie van Gaymard.
Het is een moeilijke klus om de VVD te overtuigen dat handhaving van het budget voor ontwikkelingssamenwerking een kwestie is van het overeind houden van normen en waarden. Over de grens wordt het nog moeilijker. Het lijkt een haast onmogelijke opdracht Gaymard en zijn Franse boeren, met een beroep op normen en waarden, te bewegen de protectie tegen producten uit ontwikkelingslanden op te geven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.