Vanuit haar woonplaats Islamabad bericht de Nederlandse journaliste en schrijfster Betsy Udink elke maand over het dagelijks leven in Pakistan.
Het is tegen de vijftig graden als we plotseling de asfaltweg vanuit Multan verlaten en vlak voor de Indus de woestijn inhobbelen en een bandenspoor volgen. Het zand is wit en doet pijn aan de ogen. Het is geen kale woestijn zoals in Saoedi-Arabië: overal staan rubberachtige planten. Maar dit donkergroen maakt de woestijn nog onherbergzamer dan ze al is: het vergiftigt mens en dier.
Een kilometer of tien slippen en schudden we over het diep uitgesleten spoor totdat we bij een gehucht komen. Een paar hutjes bij elkaar. Een paar geiten. Een paar kinderen, het haar door het stof en het smeer in de vorm van rastakapsels. Eén van de negen nederzettinkjes die samen Derekabad vormen, genoemd naar de stichter de Pakistaanse pater Derek Misquita.
Pater Derek was lid van het nationale parlement en zette zich in voor de sociale rechten van de christenen in Pakistan, naar schatting 13 miljoen mensen op een totale bevolking van 147 miljoen. Dertig jaar geleden kreeg pater Derek van de toenmalige autocratische premier, Zulfikar Ali Bhutto, een stuk van deze woestijn. Hij stichtte er nederzettingen voor de allerarmsten, de outcasts van de Pakistaanse samenleving, de rooms-katholieke landarbeiders en chuhra's (vegers), de mannen en vrouwen en kinderen die de straten en de vloeren vegen, het vuilnis ophalen, dode dieren villen, menselijke uitwerpselen opruimen.
Outcasts waren ze al toen hun overgrootouders nog Hindoes waren. De massale bekeringen van de chuhra's aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw door onder anderen Nederlands-Vlaamse Kapucijner missionarissen bracht daar geen verandering in. Pater Derek dacht die eeuwige scheiding van kasten en klassen en standen, waaraan islam noch christendom een einde hadden gemaakt, te kunnen doorbreken. Hij verdeelde zijn woestijn in gelijke lapjes grond en riep landarbeiders en vegers op putten te slaan, de grond te irrigeren en te bebouwen. Van zijn gulle vriend Bhutto begreep pater Derek dat de nieuwe boeren, nadat ze de grond tien jaar hadden bewerkt, de eigenaars van de velden zouden worden.
De verworpenen van de Pakistaanse, islamitische maatschappij kwamen in drommen naar wat zij Derekabad zouden gaan noemen, met niet meer dan de kleren die ze aan hadden, een kookpot en een slaapmat. Ze kwamen te voet of op gammele ezelskarren. Ze kwamen vol hoop. Ze droomden van een beter leven. Ze zouden een eigen stukje grond gaan bezitten. Ze leken wel de Joads uit de 'Druiven der Gramschap' die door honger en armoede gedreven naar Californië trokken om er velden te bewerken en sinaasappels te plukken. Ze droomden van een eigen huisje en van een eigen lapje grond en van scholen voor hun kinderen. Het is voor de Joads anders gelopen. Het is ook voor de verwachtingsvollen van Derekabad anders gelopen.
Tot op de dag van vandaag zijn zij mensen zonder beschermers gebleven, zonder invloed, zonder vuist. Pater Derek vluchtte het land uit nadat Bhutto was opgehangen door de militaire, fundamentalistische dictator Zia ul-Haq. Van de vijfduizend oorspronkelijke pioniers zijn er nog duizend over.
Enkelen van die achterblijvers zijn samengekomen onder de enige boom van een van de gehuchten, voor het kerkje, een gebouwtje zo klein als een tuinschuurtje in een Nederlandse nieuwbouwwijk.
Ze vertellen over de putten die ze geslagen hebben en het graan dat ze verbouwd hebben. Maar het grondwater was te zilt, de waterspiegel zakte steeds verder, de jaarlijkse regenbuien bleven uit. De oogst werd steeds kleiner. De leningen voor het zaad, voor diesel voor de waterpompen, en voor de kunstmest werden steeds hoger.
Het ergst van alles is, zeggen ze, dat ze door de Pakistaanse staat belazerd zijn. De grond is nooit hun eigendom geworden. Het is onder hun kont weggestolen. Politici en rijke zakenlui uit de omgeving hebben het kadaster omgekocht en de velden op hun eigen naam laten schrijven. Waarom de landdieven deze woestijn zo graag willen hebben, weten ze niet. Ze vermoeden dat zij op grond van de eigendomsakten leningen van de regering zullen krijgen om de grond vruchtbaar te maken, wat ze echter nooit zullen doen. Ze willen alleen de lening die ze met behulp van invloedrijke vrienden nooit hoeven afbetalen.
Dit is corruptie in zijn zuivere vorm. Niet alleen de boeren in Derekabad gaan eraan kapot, heel Pakistan is bezig eraan te bezwijken. De landdieven hebben de politie in hun zak en die verhindert de boeren hun oogst van het veld te halen. Wie het toch probeert is een dief, zegt de politie, het land en de gewassen zijn niet van de boeren, zij kunnen geen eigendomsaktes laten zien.
De boeren zeggen: 'Als wij het graan niet kunnen verkopen kunnen wij onze leningen niet afbetalen.' En reken maar dat in de feodale Pakistaanse maatschappij de keuterboertjes en landarbeiders altijd aan het kortste eind trekken en zij wel hun leningen moeten terugbetalen. Huilend vertelt een boer dat hij wekenlang is opgesloten in een politiecel. De agenten hebben zo lang op hem ingeslagen dat zijn been brak. Een ander, die zijn oogst had willen verkopen, werd door de politie vastgezet en mocht niet naar de begrafenis van zijn dochtertje. Zij was gebeten door een dolle hond en was de vreselijke dood van een rabiëslijder gestorven.
De boeren beginnen allemaal kwaad door elkaar te praten als iemand de houding van de politie tegenover christenen noemt. Ze hebben allen hetzelfde te horen gekregen: Jullie zijn christenen en voor christenen is geen plaats in Pakistan. Verdwijn uit dit dorp!
Als Hindoes waren ze paria's, als christenen zijn ze paria's en hun eigen land, het land waar ze eeuwen en eeuwen gewoond hebben spuugt hen uit.
Ze waren en ze blijven voor altijd outcasts.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.