Het beroerde optreden van premier Balkenende in het Margarita-debat leverde deze week in zekere zin het gelijk op van de dinosaurussen in zijn partij, mannen als Aantjes, Van Agt en Van den Broek, die vorig jaar zomer vonden dat hij nog geen premier moest worden. Het miste voor die functie de noodzakelijke politieke ervaring, zowel voor als achter de regeringstafel. Dat telde nog zwaarder nu de partij er niet omheen kon met een volslagen onbekende en onervaren nieuwkomer in zee te gaan. Dat schiep extra afbraakrisico's, die de nieuwe en succesvolle CDA-leider niet moest nemen.
Met Biesheuvels politieke carrière was het ook snel afgelopen na een vergelijkbaar avontuur in de jaren zeventig. Beter was het voor de partij en hemzelf wanneer Balkenende zijn veelbelovende leiderschap vanuit de Tweede Kamer zou ontplooien. Premier kon hij altijd later nog worden, als het CDA nog steviger op de kaart stond en hij aan politiek gewicht zou hebben gewonnen. Hij moest die functie nu maar overlaten aan een ander, iemand als Hirsch Ballin.
Het was een wijze en welgemeende raad, maar Balkenende sloeg hem in de wind, zoals de jonge koning Rehabeam ook liever naar zijn leeftijdsgenoten dan naar de ouden luisterde en tegen het opstandige volk uitriep dat zijn pink dikker was dan zijn vaders lendenen. De jeune premier riep die associatie met de onstuimige zoon van Salomo op, toen hij tijdens de verkiezingscampagne in januari, door 'Nova'-presentator Rottenberg herinnerd aan de raad van de ouden, zijn hoofd in de nek wierp en antwoordde: 'En ik heb me er niks van aangetrokken'.
Nu viel er voor de keuze van Balkenen-de ook wel veel te zeggen. Het kan in sommige omstandigheden van leiderschap getuigen een stap te zetten die grote risico's meebrengt. Daar kwam bij dat in de unheimische politieke omstandigheden van vorig jaar zomer een keuze voor de kamerbankjes vermoedelijk al gauw als laf zou zijn uitgelegd. In dat licht was het voor de rechtgeaarde calvinist die Balkenende is, al bijna geen vraag meer wat hij zou doen. Hij wilde, zoals zijn moeder naderhand eens zei, 'een gids in dit barre land' zijn.
Naast dat persoonlijke element speelde ook mee dat de CDA-politici van de generatie-Balkenende, de veertigers, niet zo veel met de oude garde op hebben. In de moeilijke jaren na het echec van 1994 hebben ze bijna geheel op eigen kracht de weg in de partij moeten vinden. Het is dus niet zo verwonderlijk dat ze, nu de partij dankzij hun inspanningen weer terug is in het politieke machtscentrum, voor welgemeende adviezen van de oude stuurlui wat minder ontvankelijk zijn.
Die waterscheiding is vorig jaar zomer scherp tot uitdrukking gekomen in het personeelsbeleid van Balkenende. Dat fenomeen verklaart waarom een origineel en ervaren man als Herman Wijffels, die als Ser-voorzitter de hand had in de grote compromissen tussen werkgevers en vakbeweging over de WAO en het ziektekostenstelsel, niet aan de bak is gekomen; te veel generatie-Lubbers.
Die scherpe waterscheiding is dus begrijpelijk, maar vanzelfsprekend niet goed. Het optreden van Balkenende draagt iets te vaak, zeker nu de vermoeidheid van een zwaar jaar begint door te wegen, de sporen van overijling, zelfs onbesuisdheid. In de Margarita-affaire had hij ook nog de handicap dat een terzake zeer kundig raadsadviseur onlangs naar een ander departement is overgestapt. De brief die de premier deze week over de kwestie naar de Kamer stuurde, laat zien dat dit gat nog niet is opgevuld. In zaken als deze komt het aan op kennis van de finesses en subtiliteiten van ons staatsrecht. De economisch georiƫnteerde Lubbers en Kok hadden die kennis ook niet aanstonds in huis, maar zij vonden dankzij het trefzekere ambtelijke gidswerk gaandeweg beter hun weg door dit labyrint.
Balkenende had in het debat de materie niet in zijn vingers en kon er dus ook niet mee spelen, zoals Piet Hein Donner dat wel deed - de wat steile minister van justitie veroorloofde zich zelfs enige zelfspot door over zijn 'exuberante zelf' te spreken. Een premier behoort zo'n zaak ferm in handen te hebben, tegenover het Binnenhof niet minder dan tegenover het Noordeinde. Hij is de bewaker van de koninklijke onschendbaarheid en moet dus alle kritiek incasseren, zelfs als aan het licht komt dat in de koninklijke stallen de paarden worden mishandeld.
Hoe beter hij dat doet, hoe coulanter de Kamer is als hij eens een steekje laat vallen. In dit geval had de premier trouwens zonder bezwaar de finesses van zijn verdediging kunnen overlaten aan de vakministers. Zeker in deze moeilijke periode, waarin hij op meer borden moet schaken, moet Balkenende waken voor overschatting van zijn kunsten en dus openstaan voor welgemeende adviezen.
Hier geldt de grondregel van Machiavelli dat een machthebber altijd voor enige kritische geesten in zijn directe omgeving moet zorgen die hem, hoe diep de onderdanen ook voor hem buigen, altijd frank en vrij de waarheid moeten kunnen zeggen. Voor Balken-ende geldt dat als lerend premier eens te meer. Jan de Quay werd net als Schermerhorn en Balkenende premier zonder ministeriƫle ervaring. Maar anders dan deze twee mannen nam hij de functie tegen heug en meug op zich, omdat hij zich ongeschikt achtte. Dat viel naderhand nog wel mee, maar De Quay was zo verstandig de behendige Norbert Schmelzer, die in het politieke vak was gekneed door de oude Romme, als adviseur naar algemene zaken mee te nemen. Het zou voor Balkenende geen kwaad kunnen als hij toch eens wat vaker bij de oude rotten zijn licht zou opsteken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.