In een korte serie belicht Coen Simon westerse denkers die hun sterfdag beleefden tijdens de Boekenweek. Vandaag: Hans-Georg Gadamer (1900-2002).
Een dag niet gefeest, is een dag niet geleefd. Je bent in onze evenementencultuur al bijna dood als je een dag niet iets hebt 'meegemaakt'. Paradoxaal genoeg moet daar wel een beetje doodsangst aan te pas komen. Deltavliegen, abseilen, raften en bungeejumpen zijn de bekende voorbeelden. 'Ik kan dood, dus ik besta' is de formule achter deze levensvreugde.
Toch blijft het altijd een beetje teleurstellend, zeker als bungeejumpen een gewoonte wordt - seen it, done it. Het lijkt steeds minder gevaarlijk en geeft dus steeds minder genot. En zolang je niet echt dood bent geweest, kun je ook niet met absolute zekerheid beweren dat je dood kunt. Die ultieme ervaring kan niet, dat weten we wel, maar toch. Met gretigheid horen we de bijna-doodverhalen aan. Je hele leven voorbij zien schieten, licht aan het einde van de tunnel, nog beter, jezelf zien liggen of een ontmoeting met andere doden. De bewijsvoering gaat vaak erg ver - twee jaar geleden nog probeerde de Nederlandse cardioloog Van Lommel het zelfs in het gezaghebbende The Lancet. Maar door een fundamenteel gebrek aan verificatie kun je er nog zoveel wetenschappelijk herhaalbare feiten bij halen, over de onherhaalbaarheid van de dood valt niets te zeggen.
Dat neemt, volgens de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer, niet weg, dat onze dood wél een onmisbare rol speelt in elke ervaring tijdens ons leven. En Gadamer heeft recht van spreken. Toen hij eergisteren een jaar geleden op honderdtweejarige leeftijd overleed, had hij naar eigen zeggen al tijden doorgebracht als levend anachronisme. Jarenlang werd de bijna-dode filosoof uit Heidelberg op zijn verjaardag nog geraadpleegd over zijn gezondheid en de huidige stand van de filosofie. Maar behalve als ervaringsdeskundige is Gadamer als leerling van Martin - Sein und Zeit - Heidegger vooral goed thuis in de theorie van onze eindigheid.
Door ons sterk sciëntistische wereldbeeld zijn we geneigd om de menselijke ervaring en ons bewustzijn over één kam te scheren met de wetenschappelijke ervaring. Maar daartussen bestaat een belangrijk verschil, betoogt Gadamer in 1960 in zijn hoofdwerk 'Wahrheit und Methode'. De wetenschappelijke ervaring is herhaalbaar en is daarmee altijd bevestigend, het stelt vast dat het is zoals het is. Maar de wereld die we dagelijks ervaren is geen som van dit soort herhaalbare ervaringen. Bestaan is verstaan, bij Gadamer. Het verstaan, of begrijpen van de wereld, doen we niet als in de wetenschap vanaf een ahistorisch objectief punt, maar vanuit de wereld waarin we terecht zijn gekomen en met het verleden dat we achter ons aanslepen.
Onze ervaring is in de eerste plaats ervaring van de nietigheid, schrijft Gadamer. We ervaren alleen iets omdat er ook niets is. Ervaring is dus ervaring van de menselijke eindigheid, de ervaring dat je de tijd en de toekomst niet de baas bent.
Op het eerste gezicht lijkt deze redenering misschien een beetje op de 'ik kan dood, dus ik besta'-formule, maar uit Gadamers redenering volgt niet de instant pret van het bungeejumpen.
De dagelijkse ervaring komt tot stand door de openheid voor het andere, iets dat je je nog niet hebt toegeëigend. Het leven valt, net als het feest, niet alleen samen met het bewustzijn van de betrokkenen, maar ook ook met iets wat zich onttrekt aan de betrokkenen/feestgangers. Na zoveel verjaarsfeestjes kon Gadamer het met zekerheid zeggen: ,,Het feest bestaat alleen omdat het gevierd wordt. Dat wil niet zeggen dat het feest louter een subjectief karakter heeft en alleen bestaat door degene die het viert. Veeleer viert men het feest, omdat het er is.'' Het had er ook niet kunnen zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.