AMSTERDAM - De ontwerpers van de space shuttle stond ooit een ruimtebus of een vrachtschip voor ogen. Het moest een pendeldienst naar het ruimtestation verzorgen, om mensen te brengen en te halen, of vracht af te leveren. Maar bij gebrek aan een ruimtestation kreeg de shuttle in de jaren '80 een andere taak: die van ruimtelaboratorium.
Niet dat het toestel daar geschikt voor is. De astronauten hebben weinig ruimte -al is dat iets verbeterd nu er een speciaal laboratorium in het laadruim kan worden meegenomen. Bovendien geven de twee weken van een standaard shuttlevlucht weinig tijd om fatsoenlijk te experimenteren. De meeste astronauten moeten even wennen aan het zweefbestaan. En sommige effecten, zoals de gevolgen van de gewichtloosheid op het bottenstelsel, laten zich eigenlijk pas na langere tijd goed meten.
Toen vier jaar geleden werd begonnen met de bouw van het internationale ruimtestation, hervatte de shuttle zijn pendeldienst en werd het ene na het andere onderdeel naar boven gebracht. Spaceshuttlevlucht STS-107 was een uitzondering. De verongelukte Columbia was weer gewijd aan de wetenschap. In de zestiendaagse reis hebben de astronauten 59 experimenten uitgevoerd, waaronder drie Nederlandse.
Die experimenten zijn soms van wetenschappelijk belang, maar dienen vaker de ruimtevaart zelf. Zo werd in één van de Nederlandse proeven een biologisch filter getest dat zijn nut zou moeten bewijzen tijdens bemande ruimtevluchten. De Groningse onderzoekers hadden dubbel pech: oktober vorig jaar sneuvelden hun schoonmaakbacteriën ook al, toen de Russische Sojoez-raket explodeerde.
De tweede Nederlandse proef had een aardser nut. De astronauten moesten hun bloeddruk in de gaten houden. Die wordt door de gewichtloosheid beïnvloed en Amsterdamse artsen wilden dit effect vergelijken met de bloeddrukproblemen van bedlegerige mensen. De derde proef, waarbij botontkalking werd gemeten, zat daar tussenin. Dergelijke kennis is vooral van nut voor langdurige ruimtereizen, maar wellicht begrijpen we de gewone osteoporose er ook beter door.
Het wetenschappelijk nut is altijd de belangrijkste pijler van de shuttlereizen geweest. Mensen kunnen lang discussiëren over het belang van bovenstaande proeven, maar het debat krijgt meer vastigheid als we de shuttle-academie met andere wetenschap vergelijken. Eén shuttlevlucht kost een half miljard dollar. Voor dat geld worden dus twee weken 59 proeven gedaan.
Een half miljard dollar is ongeveer het jaarbudget van de Universiteit Utrecht die daarmee 7500 wetenschappers aan het werk zet, een veelvoud aan experimenten uitvoert en 20000 studenten opleidt. Het is waar dat sommige experimenten alleen in de ruimte kunnen worden gedaan, het is minstens net zo waar dat de wetenschap het shuttlegeld efficiënter kan besteden.
De shuttleproeven zijn zo duur vanwege de astronauten. Gek genoeg blijft hun bijdrage aan het experiment vaak beperkt tot het aan- en uitzetten van een apparaat. Maar omdat de astronauten erbij zijn, moeten de proeven aan veiligheidsvoorschriften voldoen. Het moet zeker zijn dat ze geen giftige gassen afscheiden of exploderen. In ruimtevaartkringen wordt wel verzucht dat de veiligheidspapieren die de onderzoekers moeten invullen, een zwaarder pak vormen dan het experiment zelf.
Voorstanders hebben de afgelopen dagen veelvuldig gewezen op de geneugten die de ruimtevaart ons heeft gebracht. Satellieten zorgen bijvoorbeeld voor mobiele telefonie, wereldwijde televisiebeelden en betere weersvoorspellingen. Maar die voordelen zijn ook met onbemande vluchten te verwezenlijken.
Nu de droom van een kolonie buiten de aarde weer verder weg is dan ooit, dient de bemande ruimtevaart maar één nut: de mens ergens brengen waar hij nog niet is geweest. De rest is franje.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.