*

 

Pensioenfondsen negeren arme ouderen

G.P.A. Braam − 14/01/03, 00:00

Een kwart van de ouderen heeft een inkomen net boven de armoedegrens. Toch tonen besturen en politici zich achteloos over de welvaartsvastheid van het pensioentje van deze kwetsbare groep zonder invloed.

Bij de discussie over de problemen van de pensioenfondsen ontbreekt pijnlijk de stem van de gepensioneerde zelf. Van velen is het inkomen heel matig. Bestuurders en politici beseffen niet dat er een kwetsbare categorie is die snel onder de armoedegrens terecht kan komen.

Dit komt mede door de zwakke structuur van de belangenbartiging van ouderen. Vergeleken met andere leeftijdscategorieën zijn er onder ouderen veel mensen met een laag inkomen. Uit onderzoek is gebleken dat het inkomen van enkele honderdduizenden ouderen -vooral alleenstaande vrouwen- onder de armoedegrens ligt, iets meer dan de AOW.

Heel wat meer ouderen hebben slechts weinig meer dan de AOW. Zij hebben weliswaar een aanvullend pensioen, maar slechts voor een zeer klein bedrag. Als de welvaartsvastheid daarvan wordt aangetast, raken ook zij snel onder de armoedegrens.

Volgens het CBS ontvangt al met al een half miljoen ouderen, dat is bijna een kwart van het totaal aantal mensen van 65 jaar en ouder, een klein aanvullend pensioen van minder dan 3000 euro per jaar. Zelfs de extreem kwetsbare categorie met aanvullende pensioenen tot 1000 euro per jaar telt nog altijd bijna 100000 alleenstaanden en 80000 gehuwde ouderen.

Al langer hebben ouderen onzekerheid over hun inkomens. In de jaren negentig liep de AOW achter bij de inflatie. Bovendien waren en zijn er herhaaldelijk geluiden, die twijfel zaaien aan de betaalbaarheid van de AOW, met als argument de toenemende vergrijzing. Dat betaalbaarheid altijd een relatief begrip is, wordt er meestal niet bij vermeld.

De onzekerheid is door de discussies over de welvaartsvastheid het laatste halfjaar weer versterkt. Veel ouderen en jongeren reageren met verbijstering. Hoe is het mogelijk dat pensioenfondsen op deze wijze zijn omgegaan met het gespaarde geld van hun deelnemers? Kan die welvaartsvastheid zo maar aangetast worden? Dat is inderdaad de vraag.

Als het wél kan is er iets zeer ernstigs aan de hand, want als men wettelijke toezeggingen met terugwerkende kracht tenietdoet, wordt de rechtszekerheid met voeten getreden.

Is er eigenlijk wel grond voor die rechtszekerheid? Bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds is dat absoluut wél het geval. In de ABP-wet die gold tot 1995, dus in de tijd waarin veel van de huidige ouderen hun pensioen hebben opgebouwd, en ook in de voorlichting van het ABP en van de vakbonden, wordt namelijk met geen woord gerept van mogelijke beperkingen van de welvaartsvastheid. Van enige beperking op grond van de financiële situatie van het fonds is pas sprake in het pensioenreglement uit 1995, dus na de privatisering van het ABP. Een overgangsregeling op dit punt in dat reglement valt echter niet te ontdekken. Een CNV-bestuurder (lid van het ABP-bestuur) meldt achteloos dat alleen het laatste reglement van toespassing is. Deze reactie maakt de zaak nog ernstiger. Men realiseert zich blijkbaar niet eens dat er op zijn minst gerechtvaardigde verwachtingen zijn beschaamd bij zeer kwetsbare groepen die alleen al op grond van hun gezondheid moeilijk of helemaal niet voor hun rechten kunnen opkomen. Zijn algemene rechtsbeginselen van rechtvaardigheid, behoorlijk bestuur en van vertrouwen zo dramatisch uit het zicht geraakt?

De vakbonden zouden de financiële belangen van de ouderen bij de pensioenfondsen moeten behartigen. Die vormen immers mede het bestuur van de pensioenfondsen. De bonden moeten echter tegenstrijdige belangen verzoenen (premies van de werknemers versus de hoogte van de pensioenen). Bovendien zijn de bestuurders van de bonden niet langs democratische weg gekozen. Dit maakt de kring van besluitvormers rondom de pensioenen tot een enge oligarchie. Dat is misschien nog het ergste.

De vakbonden vertegenwoordigen lang niet alle gepensioneerden (slechts een klein deel van de ouderen is lid) en de bonden van ouderen (bij elkaar meer dan een half miljoen leden) zijn niet in de besturen van pensioenfondsen vertegenwoordigd.

De overheid als werkgever (met betrekking tot het ABP) heeft eveneens een dubbelrol, omdat de werkgeverspremies op de rijksbegroting drukken.

Veel factoren maken de structuur van de belangenbehartiging van ouderen dus buitengewoon zwak. Het bevestigt het reeds lang door onderzoek ondersteunde beeld dat ouderen in politiek opzicht machteloos zijn.

Het zou de politieke partijen sieren als ze in hun verkiezingsprogramma's met concrete voorstellen komen om de structuur van de belangenbehartiging te verbeteren. Vooral zouden ze veel meer aandacht moeten hebben voor armoede of dreigende armoede van honderdduizenden ouderen. Dat wordt in de huidige verkiezingsstrijd pijnlijk gemist.

mailIcon print |