De economie wordt steeds meer het onderwerp waarop Amerikanen hun president beoordelen. Maar linksom of rechtsom, George Bush zit klem. Hij dreigt kopje-onder te gaan in de Amerikaanse overheidsschuld.
AMSTERDAM - Ruim een week na de oproep van de G7, de groep van zeven grootste industrielanden, om de wisselkoersen toch vooral door de markt te laten vaststellen, lijkt die oproep aan dovemansoren gedaan. China, aan wie de oproep op verzoek van John Snow (de Amerikaanse minister van financiƫn) vooral was gericht, geeft geen krimp. Het land wil de koppeling van 's lands munt aan de dollar niet opgeven. De tweede geadresseerde -Japan, tevens G7-lid-, liet gisteren blijken weinig te voelen voor een goedkopere dollar. Want de keerzijde daarvan, is een duurdere yen. De afgelopen maand heeft Japan voor een record aan yens verkocht om de waarde van de munt niet al te fors te laten stijgen, waardoor 's lands exporteurs nadelig zouden worden beinvloed: de centrale bank van Japan verkocht voor 40,4 miljard dollars aan yens. Een maand eerder was dat een klein miljard minder. De yen heeft inmiddels al de hoogste waarde bereikt in 33 maanden. En Japan is niet van zins de yen nog duurder te laten worden: dat zou de winsten van bedrijven als Toyota en Sony schaden en het land opnieuw in een recessie kunnen duwen.
Geen bereidheid dus bij de twee belangrijke handelspartners om iets aan de wisselkoersverhoudingen te doen en zo de Amerikaanse export te bevorderen waardoor ook de werkgelegenheid wordt gestimuleerd. En dat is misschien maar goed, vindt onder meer Stephen Roach, chef-econoom van zakenbank Morgan Stanley. Zo er al een effect door de lagere dollar is op de exportpositie van de VS, loopt de regering Bush een heel groot risico dat diezelfde goedkopere dollar internationale investeerders afschrikt om Amerikaanse obligaties te kopen. Dat Amerikaanse schuldpapier moet dan beter geprijsd worden (lees: een hogere rente krijgen), en dat leidt in de redenering van Roach tot hogere rentes. En hogere rentes raken op hun beurt de consument, die een huis of auto wil financieren. En aangezien de consumentenbestedingen het hart vormen van de Amerikaanse economie, kan een lagere dollar een boemerangeffect hebben.
Een zwakkere dollar is des te vervelender als je grote schulden in de wereld hebt uitstaan. Investeerders tegen de schenen schoppen is lastig als je een fors overheidstekort (van nu 455 miljard dollar en volgend jaar 600 miljard) hebt bij een handelstekort dat in het tweede kwartaal 138,7 miljard dollar bedroeg (oftewel 5,1 procent van het bruto binnenlands product). Nog vervelender wordt het als diezelfde landen aan wie ook de oproep was gericht om de koersen van hun munt vrij te laten zweven, China en Japan, ook nog eens de belangrijkste geldschieters van de VS zijn. Volgens de zakenbank Goldman Sachs kochten China en Japan samen bijna driekwart van de obligaties die de VS dit jaar uitgaven. China en Japan samen zijn nu goed voor 41 procent van de buitenlandse schuld van de VS.
Dat is 1400 miljard dollar van de 3400 miljard totale Amerikaanse schuld. De rol die China inmiddels vervult als financier van de Amerikaanse welvaart, maakt het land tot een vrijwel zekere gast aan tafel bij de G7.
Het uitgavenpatroon van de regering Bush leidt er toe dat het komende jaar, schat zakenbank Barclays, voor 940 miljard dollar moet worden geleend. Ongeveer de helft daarvan is 'nieuw geld', de andere helft is bestemd om aan verplichtingen te voldoen. Om de verhoudingen aan te geven: het geld dat de VS leent, is gelijk aan driekwart van het Chinese bruto binnenlands product in 2002.
Bush is inmiddels president van een land dat dit jaar gemiddeld 56000 banen per maand zag verdwijnen. Vorige maand schrapte de industrie 93000 arbeidsplaatsen en met de 25000 die voor september worden verwacht, stijgt de werkloosheid in de VS naar 6,2 procent. Voor wie de cijfers op een rij ziet, is het niet verwonderlijk dat de Amerikanen inmiddels de economie zien als een zeer belangrijk onderwerp voor de presidentsverkiezingen van volgend jaar. Volgens een opiniepeiling van het Pew Research Centrum vindt 49 procent van de Amerikanen dat presidentskandidaten vooral getest moeten worden op hun economische plannen. In 1999, eveneens ongeveer een jaar voor de verkiezingen, vond 6 procent dat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.