Sprekend over waarden en normen, bedoelt men meestal dat ónze Nederlandse waarden voor allochtonen als normen moeten gelden. Aanpassen aan, zich richten naar óns model. Een denken dat uitgaat van onszelf.
Natuurlijk, om te kunnen samenleven moet aan een aantal basisvoorwaarden worden voldaan. Er moet communicatie mogelijk zijn en taal is het belangrijkste communicatiemiddel. Daarom is de eis van beheersing van onze taal terecht.
De beginselen van de rechtsstaat moeten worden gerespecteerd, want zij zijn de waarborg tegen willekeur, eigen richting en het recht van de sterkste. De beginselen van de rechtsstaat dienen ter bescherming van de zwakken. En nodig is vrijheid in verantwoordelijkheid, vrijheid die daar haar begrenzing vindt waar zij anderen de vrijheid ontneemt of beknot. En altijd met het oog op de ander, de zwakkere, die zichzelf niet kan redden. Zoals ook de Bijbel ons leert, die altijd weer kijkt vanuit de optiek van de slachtoffers.
Daarom is in de politiek het parlementaire debat zo wezenlijk. Het woord als wapen om tegenstellingen te slechten en conflicten te bezweren. De vijand (dat is altijd de ander) overwin je door met hem de oorlog aan te gaan. De vijandschap (die omvat jou en de ander) overwin je door de dialoog aan te gaan. Het geeft je de kans de vijand lief te hebben door de vijandschap te haten.
Verzoening komt niet tot stand door offeranden, door het maken van nieuwe slachtoffers, maar door plaatsvervanging. Daarin is Jezus ons voorgegaan en zo heeft hij het ons ook voorgedáán. Verzoening door in de schoenen van de ander te gaan staan, te kijken door de ogen van de ander.
Voor onze samenleving is er trouwens geen alternatief. We mogen de ogen niet sluiten voor de werkelijkheid. In Amsterdam is 47 procent van de bevolking allochtoon; spoedig zal het de meerderheid zijn. In Utrecht is 25 procent van de bevolking allochtoon en 40 procent van de jeugd. Het is dus nog slechts een kwestie van één generatie. Treden we die ontwikkeling tegemoet met het zoeken naar vreedzame vormen van samenleven of met angst en dan vooral angst voor de islam? Angst die ons alle moslims doet vereenzelvigen met de extreme fundamentalisten onder hen, wat schreeuwend onrechtvaardig is.
Je zou de verhouding tot de moslims ook van een andere kant kunnen benaderen, zoals vanuit de geschiedenis (zowel in positieve als in negatieve zin) of vanuit de religie.
Ons land heeft altijd immigranten gekend, ook uit de wereld van de islam. Hoogleraar godsdienstwetenschap Anton Wessels heeft er in zijn diësrede aan de Vrije Universiteit op gewezen dat rond 1600 veel uit Spanje verdreven moslims in Amsterdam toevlucht hebben gezocht en gevonden. De invloed van naar ons gemigreerde hugenoten op ons religieuze en intellectuele leven is vandaag nog merkbaar. De aanwezigheid van Joodse immigranten, hoezeer ook vaak als tweederangs burgers beschouwd, op de economische en culturele ontwikkeling is onmiskenbaar.
Voor wie niet de strijd wil is er maar één alternatief: de dialoog. Wie dit binnen het CDA goed begrepen heeft, is oud-voorzitter Marnix van Rij. Hij verdedigde dat juist vanuit een partij die het evangelie als richtsnoer aanvaardt het initiatief voor een dialoog met andere religieuze bevolkingsgroepen moet uitgaan. Ik hoor daar weinig meer over. Het zou buitengewoon triest zijn, als met zijn vertrek als voorzitter ook deze visie en dit initiatief uit het CDA zou blijken te zijn vertrokken.
De tegenstellingen behoeven niet te worden verdoezeld. Maar verzoening is niet zoenoffers eisen, maar voorgaan in liefde en inzet, zich verplaatsen in de ander, zoals Christus daarin is voorgegaan en het heeft voorgedaan en zoals mensen als moeder Theresa, Beyers Naudé, bisschop Romero en Dietrich Bonhoeffer hem daarin zijn nagevolgd. Kijken door de ogen van de ander kan tot heel verrassende standpunten leiden.
Toen Abraham Kuyper in 1891 zijn beroemde rede: De christelijke religie en de sociale quaestie hield, voorspelde hij dat de voortgang van de medische wetenschap er toe zou leiden dat er in wat wij vandaag de derdewereldlanden noemen een zo grote overbevolking zou ontstaan dat er niet voor iedereen voldoende voedsel zou zijn. Die ontwikkeling zou zijns inziens slechts op twee manieren te keren zijn, hetzij door met name jonge kinderen massaal aan de hongerdood prijs te geven, hetzij door het aanwenden van middelen tot geboortebeperking. En dat voor een gehoor dat nooit anders geleerd had dan dat zwangerschap onder alle omstandigheden een zegen des Heeren is. In 1891!
Kijken door de ogen van de ander. Het betekent inzien dat er iets veranderen moet, niet alleen bij hen, maar ook en zeker bij ons.
Wij mensen zullen het moeten doen. Aan God heeft het niet gelegen. Dat heeft Abel Herzberg (toen zelf al bijna negentig) prachtig onder woorden gebracht in zijn boekje 'Brieven aan mijn grootvader'. Herzberg richt zich daarin tot zijn grootvader, die uiteraard al lang geleden gestorven is, met het verzoek 'even bij God aan te lopen' en hem te vragen of hij de mensheid niet voor verdere rampen kan behoeden. Zijn grootvader voldoet aan het verzoek en brengt Herzberg dan het volgende antwoord van God over:
,,Ik heb de mensen alles gegeven wat zij nodig hebben om met elkaar in vrede en vriendschap te leven. Ook ben ik kwistig genoeg geweest in het verdelen van de kennis en de talenten waarmee zij al mijn gaven gebruiken kunnen. Evenmin ontbreekt het hun aan wetten die hun handelingen moeten bepalen. Hiermee acht ik mijn taak volbracht. Wat nu nog moet worden verricht dient aan de mensen zelf te worden overgelaten. Het woord, en meer dan het woord, de daad is aan hen.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.