*

 

Jeen

Mart Smeets − 01/02/03, 00:00

Omdat het ineens weer even 's nachts tot diep onder nul is en de oren van je kop vriezen, is het ook toegestaan weer even over de Tocht der Tochten te mijmeren. Hoewel, ik had het sowieso gedaan, want ik kwam ergens uit met Jeen van den Berg als gesprekspartner.

Niets is mooier dan met een der helden van vroeger terug te zakken in de geschiedenis. Jeen heeft me al ettelijke verhalen verteld, maar nu kwam er iets uit dat hij als voorbeeld voor de tegenwoordige sport wilde neerzetten. Hij had het over vriendschap en iets voor elkaar overhebben en kwam toen met een mij nog onbekend verhaaltje over de Tocht van 1963.

Het ging ongeveer zo: Reinier Paping lag te ver voor en de nummers twee en drie, Jeen en de Groninger Jan Uitham, wisten dat ze geen kans meer op de zege hadden. Van den Berg was langzaam aan het sneeuwblind worden en had moeite de voortkrabbelende Uitham te volgen. Het werd kouder en witter en de mannen waren op elkaar aangewezen als nooit tevoren. Dat betekende dat Uitham op kop reed of liep of struikelde en Van den Berg zijn uiterste best deed in de schaduw te blijven.

Uitham ging door, zag, na Bertlehiem voor de tweede maal gepasseerd te zijn, een bruggetje opduiken en bukte zich. De drie meter achter hem rijdende Van den Berg was helemaal 'op', miste de beweging van zijn kompaan en reed dus pardoes tegen het steen aan. Versuft bleef hij in de papperige sneeuw liggen en toegeschoten mannen probeerden hem omhoog te krijgen, maar door de dodelijke vermoeidheid en de pijn in het lijf wilde de winnaar van 1956 niet verder. ,,Laat me hier maar liggen, hier is het zo wel goed'', moet hij volgens rayonhoofd Sjirk Velstra daar een aantal maal gezegd hebben.

Tot verbazing van iedereen kwam vijf minuten later Uitham onder het bruggetje opduiken. Hij had zijn zwaar geraakte maatje gemist en wilde zo niet verder gaan en tweede worden. Van den Berg zei tegen Uitham dat hij maar door moest rijden, want hijzelf was geheel op en uit de achterhoede zou Appie Weys nog opduiken, zo had hij gehoord.

De Groninger wilde echter met de Fries door en haalde hem over verder te rijden. Hij hielp Van den Berg overeind en voorzichtig zetten de twee hun weg voort. Uitham bleef voorop rijden, maar ineens hoorden de mannen het geluid van krassende schaatsen: Weys dus.

Met een uiterste krachtsinspanning ontdeden de twee zich van de indringer in hun machtig eenzame bestaan. Zij waren al zo lang met zijn tweetjes geweest en zo moest het ook maar blijven.

Weys kon niet aanpikken, Uitham bleef tempo maken en Van den Berg maakte de Groninger duidelijk dat hij tweede moest worden. ,,Jij hebt me tot hier gebracht en jij bent de sterkste..ga maar, ik red het vanaf hier zelf wel'', had hij gezegd en heel voorzichtig was Uitham weggereden, net alsof het hem pijn had gedaan.

Van den Berg had alleen doorgereden, later omstuwd door mensen die hij nauwelijks kon zien. Met bevroren ogen had hij de finish bereikt en had hij Uitham bedankt voor de machtig mooie dag. Vervolgens hadden omstanders de twee van het ijs geholpen.

En? Ik keek Jeen aan. Verrek, hij had, nu, in 2003, vochtige ogen toen hij het verhaal vertelde. Na al die jaren, veertig om precies te zijn, werd de herinnering aan deze buitengewone kameraadschap in een wedstrijd hem nog maar weer eens ietsje te machtig. Jeen is nu 75, heeft een attaque gehad, maar rijdt nog iedere dag drie kwartier op de schaats. ,,Mooi toch, dat is toch sportiviteit'', zei hij. Ik kon weinig uitbrengen.

mailIcon print |