De watersnoodramp trof het uiteinde van de bible belt. Volgens de 'zwaarste' bewoners daarvan - 'bevindelijken', in de volksmond 'zwarte kousen' - was het geen natuurramp, maar een straf van God. Voor deze godvruchtigen gebeurt niets toevallig, maar valt alles ons 'uit Zijn vaderlijke hand' toe. Ze ontlenen er troost aan. En zelfs als ze die niet vinden, is lijdelijkheid troef. Want wie heeft er beter verdiend dan de tuchtroede Gods?
Onderzoekers viel het in het voorjaar van 1953 op dat deze gelovigen ,,zich passiever hebben gedragen bij het reddingswerk dan anderen. Vaak beperkten ze zich tot bidden''. En 1 februari viel op een zondag, de dag des Heeren, waarop men niet arbeidt.
Dat God de hand had gehad in de ramp was een vrij algemene gedachte. De Brabantse Commissaris van de Koningin, een katholiek, zag er Gods almacht in, zonder te weten 'welke bedoelingen de Almachtige hierbij had'. Het Zeeuwsch Dagblad snapte het oordeel Gods over 'ons volksleven' wel: we waren na de oorlog materialistisch geworden, met stampvolle bioscopen en leeglopende kerken. Ook Trouw, toen nog goed antirevolutionair, zag in de gezwichte dijken een oordeel: over de hoogmoed die sprak uit het gezegde 'God schiep de wereld, de Nederlanders schiepen Nederland'.
Ds. F. Mallan (75) is predikant van de Gereformeerde gemeenten in Nederland en al een halve eeuw misschien wel de zwaarste predikant van het land. In 1953 'stond' hij in zijn eerste gemeente, Bruinisse. Die bleef gespaard, omdat de dijk bij Sirjansland brak. Mallan trok de lieslaarzen aan.
Onlangs vond hij tussen de papieren zijn 'watersnoodpreek' terug. Hij actualiseerde de tekst, sprak de preek op band in en 'een blinde jongen heeft hem daarna uitgetypt'. De heruitgave gaat in een oplage van vierduizend stuks het hele land in, naar catechisanten, maar ook naar nabestaanden. Ook dient de tekst als voorleespreek voor vacante gemeenten, want dominees zijn er te weinig in de Gereformeerde gemeenten. Dominee Mallan spreekt de typische 'tale Kanaüns'.
De overstroming was volgens Mallan maar 'het uiterste' van Gods almacht, een 'vingeraanraking'. ,,Dan reeds is er geen ontkoming te vinden aan het oordeel en geen ontvlieden van de gramschap des Almachtige.'' Als een oudtestamentische boeteprofeet geselt de predikant zijn gehoor dat toen - en nu niet minder - voor het grootste deel siddert voor wat het zeker weet: dat het naar de hel gaat. Alle ellende dient als een angstaanjagend appèl tot bekering - die van God moet komen: weer dat lijdelijke -, ook de verschrikkingen van de watersnood. Dat waren 'nog maar de beginselen van de eeuwige smart die ons te wachten staat, als wij onvoorbereid sterven'.
Het 'majestueuze Goddelijke Wezen' sloeg ons land, want, preekt Malan, ,,hebben ook wij Hem niet getergd door de verlating van Zijn woord en wet? Als wij doorgaan in de miskenning van al Zijn roepstemmen en slagen, gaat ook Hij door om te betonen dat Hij er is.''
In zijn actualisering ('Toepassing') past Mallan vijftig jaar na de ramp zijn uitleg naadloos aan aan het huidige tijdsgewricht. ,,Hoe verschrikkelijk is het toch, dat ons volk na zulke gebeurtenissen hollende achteruit gesneld is op het hellend vlak der zonden.''
Onder de omgekomenen waren 'Gods kinderen' - het selecte gezelschap bekeerden, niet alle kerkleden! - die 'alle ramp en leed voorgoed te boven zijn'. ,,Anderen zullen van een tijdelijke ramp overgestapt zijn in een eeuwige ramp.''
,,We gaan daar nu niet dieper op in, daar dat te ingrijpend is voor de overgebleven familieleden van deze slachtoffers'', preekt Malan fijngevoelig. Maar hij wil het wél even gezegd hebben.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.