Waar was je toen we, in 1974, onze eerste frustratie met Oranje opliepen?
Ik weet het nog. Een moeilijke etappe in de Tour de France. Aankomst in Aspro Gaillard, alwaar men een enorm vreetfeest had georganiseerd in een mooi park. Het was aan het einde van een week waarin Gerben Karstens geweldig gereden had. Hij streed met Eddy Merckx om het geel en met Patrick Sercu om het groen en verloor beide duels op eervolle wijze. Ik maakte een interview met Karstens en zocht de NOS-wagen op. Onderweg hoorden we dat Neeskens scoorde. Via de Franse radio. Even later stapte ik het hotel binnen.
Ja, ze hadden televisie en de zaal was links de gang door. Pardon. Ik opende de deur van het zaaltje en keek naar zeker dertig Duitsers die ingespannen naar het kleine toestelletje zaten te kijken. Nadat ik vijftien seconden had gekeken waar ik wilde zitten, besloot ik de ruimte te verlaten: ik ging weg met de geruststellende gedachte dat 'we' voorstonden. Op mijn bed liggend moet ik direct in slaap gevallen zijn, want ik werd kil en stijf pas tegen achten 's avonds wakker. Het was uiterst lawaaiig in het restaurant en dat betekende niet veel goeds.
Op 20 november 1985 was ik in Zalaegerszeg, in Hongarije dus. De basketballers moesten zich via de taaie Hongaren zien te kwalificeren voor de EK, maar die avond moest de voetbalploeg in Rotterdam tegen België spelen. Spelers, begeleiders en de ene journalist die de ploeg vergezelde kwamen na de avondtraining samen in een troosteloze eetzaal. We aten er een groezelige vissoep en daarna een uiterst zenig stuk vlees. Wijn was er niet, wel een plaatselijk biertje en in de rust van het voetbal belde ik met de radiostudio voor een korte voorbeschouwing op de basketbalwedstrijd. 'Hoeveel', vroegen de spelers toen ik van de receptie terugkwam. 'Nul-nul', zei ik en we aten verder. Het Nederlands voetbalelftal mocht niet op erg veel sympathie rekenen van de basketballers, zo bleek. Enige tijd later werd ik van tafel gehaald; Hilversum aan de lijn en een attente redacteur die meldde: 'Grün, vlak voor tijd, kopbal, jammer'. Zwak applaus klonk op toen ik de Rotterdamse eindstand over tafel riep.
Op 9 juli 1994 speelden Nederland en Brazilië -voetbal dus- in Dallas tegen elkaar. Het was ook de dag van de etappe Rennes-Futuroscope in de Tour. Het was warm in Frankrijk, de etappe was lang en eindigde in een vlammende massasprint; Jan Svorada won, voor Abdoe, Ludwig en Minali en de drie laatste renners van de etappe waren onze landgenoten Talen, Vermey en Harmeling. Wie de gele trui die avond aantrok? Johan Museeuw. Waar zouden we de wedstrijd kunnen zien? De Neel had geen trek en de Belgische chauffeurs haalden hun schouders op: het was hen om het even, liever snel eten.
Dus kwam ik, later, met K. uit in een steengoed restaurant in Poitiers. Het was er vol en gezellig en vooral heel erg lekker. Omdat hij het kennelijk niet kon laten, stapte een landgenoot op ons tafeltje af en vroeg me streng waarom ik niet naar 'de wedstrijd in Amerika aan het kijken was'. Omdat vriendelijk blijven het beste in zulke situaties is, antwoordde ik: 'En waarom kijkt u niet?' Hij haalde diep adem en zei: 'U moet daar toch naar kijken!'
Ik glimlachte en nam een slokje. Neen, dat moest niet.
Vanmiddag om vier uur in de 'thuis'-sportschool. Al fietsend en op de loopband ga ik kijken. Het zal me toch ééns lukken een moeten-wedstrijd te zien. Ik bedenk ineens dat ik wel in Liverpool en Dublin was. Dat is toch het bewijs dat ik een 'goede' vaderlander ben. Wat zegt u? O ja, dat was om te werken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.