De oude stad Galle op de uiterste zuidwestpunt van Sri Lanka vormt, als veruit de beste en meest compleet bewaarde vestiging van de VOC ter wereld, de passende achtergrond voor één van de interessantste maritiem-archeologische projecten waarin het Amsterdams Historisch Museum op dit moment betrokken is.
Het project, dat het onderzoek naar de in 1659 gezonken koopvaarder 'de Avondster' tot onderwerp heeft, wordt uitgevoerd in het kader van het Nederlandse regeringsprogramma Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed. Nederland stelt daarvoor geld en kennis ter beschikking aan landen waarmee in het verleden nauwe betrekkingen zijn onderhouden. Dat is in Sri Lanka het geval. Vanaf 1602 tot 1796 oefende de Vereenigde Oostindische Compagnie het complete gezag uit over de gehele kuststrook rondom het eiland. Deze 'Dutch period' wordt in Sri Lanka beschouwd als een wezenlijk onderdeel van de nationale geschiedenis.
Het land zelf investeert veel in het restaureren en conserveren van de Nederlandse koloniale erfenis. Dat is ook één van de voorwaarden van de door voormalig staatssecretaris Rick van der Ploeg in het leven geroepen regeling Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed als een soort Samen op Weg in de geschiedenis. Naast het onderzoek naar de Avondster is ook het herstel van de stadsvesting Galle er een onderdeel van. Een begin is al gemaakt met de restauratie van de Nederlands Gereformeerde kerk.
De Avondster verging op 23 juni 1659 door onachtzaamheid van de schipper, die de waarschuwing in de wind sloeg dat het schip van zijn anker was losgeraakt. De stranding op een zandbank, enkele tientallen meters verwijderd van de wuivende palmen die de kustlijn markeren, betekende het roemloze einde van de al twintig jaar oude driemaster. Het schip - dat in zijn glorietijd lange reizen had gemaakt - sleet zijn laatste dagen als vrachtschip tussen Cochin (Kochi), de tegenwoordige hoofdstad van de Indiase deelstaat Kerala Jaffna in Ceylon, het nog altijd zo geheten eiland Delft waar de compagnie haar paarden fokte, het bestuurscentrum Colombo en de kaneelhaven Galle. Bij stukjes en beetjes die door de duikers onder water worden bloot gelegd, vertelt de Avondster het verhaal van zijn laatste reis.
Onder het zand, slechts vijf meter onder de oppervlakte en maar een kleine honderd meter uit de kust verwijderd, ligt de vrijwel complete romp. Zelfs grote delen van de lading zijn op hun oorspronkelijke plaats gebleven. De Avondster vervoerde de gewone gebruiks- en handelsgoederen die tot de dagelijkse behoeften van de factorijen behoorden. Maar juist dat maakt het onderzoek vanuit archeologisch onderzoek zo interessant, zegt Robert Parthesius die deels vanuit Amsterdam, deels vanuit Galle zelf, het project leidt. De foto's, films en tekeningen zijn al spectaculair genoeg. En misschien juist omdat het onderzoek op zo'n geringe diepte wordt uitgevoerd. In het kalme water speelt het door het water gezeefde zonlicht over de opstaande spanten, de delen van het dek en de resten van de lading aan rollen kokostouw, bakstenen en gebruiksaardewerk. In het gebouw aan de kade tegenover de massieve VOC-pakhuizen in Galle, zien de bundels touw er nog uit alsof ze pas gisteren zijn verscheept. Tenminste zolang ze ondergedompeld blijven in de conserveringsvaten waarin het zeewater langzaamaan wordt vervangen door zoetwater. Zouden ze zonder voorzorgsmaatregelen gedroogd worden, dan restte de onderzoekers waarschijnlijk niets meer dan een hoopje stof.
Het maritiem-archeologisch onderzoek naar de Avondster en de steun die Nederland verleent bij de restauraties in de oude stad Galle sluiten ook in Sri Lankaans perspectief nauw bij elkaar aan. Restauratiearchitect Samas de Silva roemt de Nederlandse inbreng in die projecten. Het liefst zou hij zien dat Sri Lanka een monumentenbeleid zou ontwikkelen dat geheel op Nederlandse leest is geschoeid. Een eerste stap in die richting is in Sri Lanka reeds gezet met het ontwikkelingsplan 'Conservation and development of the world heritage site of the Dutch Fort in Galle', waarop de Nederlandse Ambassade in Colombo reeds lange tijd had aangedrongen.
En Galle is het waard. Greater Galle is een stad van ongeveer 90000 inwoners. De oude stad ligt terzijde daarvan op een landtong en is geheel omgeven door de oorspronkelijke vestigingmuren. In deze vitale stad wonen 3000 mensen, evenveel als in de zeventiende en achttiende eeuw. De belangrijkste gebouwen zijn door de VOC gesticht. Daartussen bevinden zich nog talrijke Hollandse woonhuizen, herkenbaar aan de diepe veranda met de voor de 'Dutch style' typerende kolommen.
De indrukwekkende vestingwerken zijn nog intact, al heeft de altijd onrustige zee lelijke happen uit de koraalstenen muren genomen. De geschutspoorten zijn een geliefde stek voor verliefde paartjes en tussen de uitkijkposten, bastions en kruithuizen grazen koeien. Ze lijken het beeld te bevestigen dat de VOC in den vreemde niet alleen kruiden, textiel, porselein en edele houtsoorten zocht, maar ook een vestigingsplaats voor de vertrouwde vaderlandse cultuur.
De kerk vormde en vormt nog steeds het middelpunt daarvan. Het interieur met de gebeeldhouwde zerken, de kansel hoog tegen de westwand en de nog steeds in gebruik zijnde psalmborden is ons even vertrouwd als een Nederlandse dorpskerk. Zelfs de lichtval werkt eraan mee. De kerk is nog altijd als zodanig in gebruik en vormt daarmee een cultureel baken voor de Dutch Burgher-gemeenschap; Lankanen die verre afstammelingen zijn van de vroegere dienaren van de compagnie en trots nog namen dragen als Andriesz, De Hoedt, Landsbergen, Van Cuylenburg of Van der Straaten.
De herinneringen aan de Vereenigde Oostindische Compagnie zijn in Galle talrijk en tot in het kleinste straatje aanwezig. Trots prijkt het koopmanswapen boven de voornaamste toegangspoort. Aan weerszijden ervan bevinden zich de grote pakhuizen. Ze verkeren nog in de oorspronkelijke staat, tot en met de luiken toe en zullen straks het museum huisvesten waarin voor de Avondster een belangrijke plaats wordt ingeruimd. Links ervan bevinden zich het vroegere Malieveld, de Leynbaanstreet en de Princenstreet en dat zijn in Galle niet de enige onverbasterde Hollandse namen. De Leynbaanstreet geeft toegang tot het bastion Akersloot terwijl de andere versterkingen namen dragen als Clippenberg, Zon en Maan, het Zwartbastion en Utrecht.
In het voormalige gouverneurshuis aan de Princenstreet is aan het interieur niets noemenswaardigs veranderd. Aan de deur belooft een in keurig Nederlands gesteld bord 'een heerlijke kop koffie'. Ze wordt geschonken op hetzelfde terras waarop de Nederlandse gouverneur in de achttiende eeuw de dorpshoofden uit zijn bestuursgebied ontving. Zonder dat daarin een deur, een luik of zelfs maar een spijker is veranderd, want als de VOC ergens ter wereld nog levende geschiedenis is, dan is het hier, waar een scheepslading van drieënhalve eeuw oud, alsnog aan de wal wordt gebracht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.