De opmerkingen van het prille kamerlid Ayaan Hirsi Ali over de islam in het algemeen en over de profeet Mohammed in het bijzonder hebben een ware stortvloed van commentaren teweeggebracht. Verwonderlijk is het niet: toch al stevig in haar opvattingen en oordelen, liet Hirsi Ali zich deze keer wel heel erg gaan. Mohammed als een perverseling, een tiran, een verachtelijk individu, die ons in Nederland 'postuum chanteert'.
De opwinding naar aanleiding van deze krasse taal was navenant. Aan de ene kant ontsteltenis en verontwaardiging, aan de andere kant applaus voor zoveel openhartigheid en moed. Voor het ene kamp is Hirsi Ali de belichaming van alles wat vies en voos is, voor het andere kamp geldt zij als de heldin van het vrije woord.
In de discussies zijn vooral twee lijnen te onderkennen. Niet weinigen hebben zich verdiept in het leven van Mohammed en zich afgevraagd hoe het gedrag van de profeet, veertien eeuwen na zijn leven, moet worden gewaardeerd. Zoals bij dergelijke historische figuren in het algemeen het geval is, menen sommige waarnemers dat alles in de eigen tijd dient te worden gezien terwijl andere beoordelaars op de bres gaan voor de handhaving van universele waarden.
Interessanter dan dit in wezen onverzoenlijke meningsverschil is de vraag of een kamerlid er goed aan doet zich over de godsdienst van een aanzienlijke en groeiende bevolkingsgroep zo fors uit te laten. Particulieren zonder een publieke functie kunnen natuurlijk van alles roepen, maar politici en bestuurders moeten rekening houden met het effect van hun woorden. Kennelijk is VVD-leider Zalm het met dit standpunt eens want hij tikte het kamerlid op de vingers en maakte daar geen geheim van. Zelfs liet hij doorschemeren dat Hirsi Ali's woordvoerderschap op terreinen als integratie en emancipatie niet noodzakelijk andere kamerleden met meningen terzake uitsluit. Het is een schot voor de boeg.
Zalms interventie lijkt mij om twee redenen juist. In de eerste plaats maken we -en niet alleen in Nederland- een periode door van toenemende polarisatie tussen moslims en anderen. De gebeurtenissen van 11 september en de daaropvolgende oorlog tegen het terrorisme en straks tegen Irak hebben in heel de westerse wereld de islam in de verdediging gedrongen. Het is een pressie die averechts kan werken: de moslims zullen sterker dan voorheen terugvallen op de zekerheden van hun geloof en meer dan voorheen de moderne wereld afwijzen. Het is verstandig aan deze verwijdering niet extra voedsel te geven.
Een tweede argument lijkt mij nog zwaarder te wegen: anders dan Hirsi Ali en haar naïeve supporters menen, is er geen sprake van dat de islam binnen afzienbare tijd ingrijpend zal veranderen. De vergelijking -die vaak wordt gehoord- met de verzwakte orthodoxie van de Nederlandse katholieken en gereformeerden is over-optimistisch. Natuurlijk zal de moderne liberale cultuur invloed uitoefenen op de hier woonachtige moslims maar van een secularisatie zoals het christendom in de afgelopen halve eeuw heeft doorgemaakt, zal bij de islam zeer waarschijnlijk geen sprake zijn. Integendeel: wereldwijd is het de snelst groeiende religie met sterke fundamentalistische accenten. De islam gaat tegen de geest van de tijd in.
Dit proces is al meer dan een eeuw aan de gang. Het kan nuttig zijn lessen te ontlenen aan het beleid van het gouvernement in het voormalige Nederlands-Indië, een gebied met de grootste islamitische bevolking ter wereld. Doordrongen als het bestuur was van de noodzaak niet onnodig de animositeit van de moslims te prikkelen, volgde het een strikte scheiding tussen een zeer liberale politiek waar het ging om de geloofsbeleving en een volstrekt verbod van politieke activiteit op islamitische grondslag.
Zoals vandaag de dag de aanhangers van de Verlichting in Nederland het islamitisch geloof als 'achterlijk' en verwerpelijk kwalificeren, zo gebeurde dat in onze voormalige kolonie van de kant van missie en zending. Abraham Kuyper gewaagde van 'Mohammedaansche afgoderij' en riep op tot de strijd van 'het Kruis tegen den Halven Maan' maar de realisten van het bestuur in Indië lieten Kuyper rustig trompetteren en gaven de 'Halve Maan' zoveel ruimte als maar mogelijk was.
Interessant is een incident in het Indië van 1931. Een erudiete jezuïet, de Java-missionaris Ter Berge -ik heb hem kort na de oorlog enkele malen ontmoet- had de Koran onderzocht op de figuur van Christus en kwam tot de conclusie dat er sprake was van 'een onnozel stel fabels en verzinsels en verkeerd begrepen verhalen'. Evenals dat nu het geval is met de uitingen van Hirsi Ali, toonden de leiders van de moslimgemeenschap in Indië zich over deze publicatie buitengewoon verontwaardigd. Het gouvernement overwoog zelfs een ogenblik tegen Ten Berge een strafvervolging in te stellen. Onrust onder de islamitische bevolking van de archipel was wel het laatste waarop het Nederlandse gezag zat te wachten.
Zover zijn we in Nederland nog niet maar we gaan wel die kant uit. Wie het betreurt, komt te laat: nu eenmaal vele honderdduizenden moslims in ons midden verkeren, zullen we de consequenties moeten aanvaarden. Een resolute maar doordachte pacificatiepolitiek is geboden, gepaard gaande met inschakeling van de nog bescheiden politieke en intellectuele moslimelite. Een ramkoers is riskant en contraproductief. De islam ligt als een rotsblok in ons vlakke religieuze landschap. Wie erop bijten wil, bijt op graniet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.