*

 

De mensen moeten het zelf doen

Willem Schoonen − 01/02/03, 00:00

Longembolie hield hem vorig jaar lange tijd aan het bed gekluisterd. Het gaf de 80-jarige gelegenheid te denken. Heel veel te denken. Terugkijkend op zijn carrière als klinisch pedagoog en als leraar, kwam Rein Schoufour tot de ontdekking wat er schort aan de huidige discussie over normen en waarden.

Meer blauw op straat zal de normen en waarden in de Nederlandse samenleving niet herstellen, zegt Rein Schoufour. Misstappen zullen eerder worden opgemerkt en bestraft, maar een herstel van normen en waarden? Nee. Nederland is immers niet afgedwaald door een gebrek aan blauw. Het probleem is dat Nederland twee zaken heeft verloren die voor de samenleving van levensbelang zijn: harmonie en autoriteit.

Het zijn voor Schoufour geen zachte begrippen uit zweverige literatuur. Ze vormen voor de 80-jarige de kern van de les die hij trekt uit de halve eeuw waarin hij werkzaam was in het onderwijs, als leraar, als rector, maar vooral als klinisch pedagoog. Duizenden kinderen heeft hij in die tijd onder ogen gehad. Genoeg om te kunnen zien waardoor zij ontsporen, wat sommigen van hen missen.

Op rust, in een verbouwde boerderij midden in de Noord-Hollandse Schermer, vertelt Schoufour over zijn ervaringen. Hij heeft koffie gezet, maar gaat zo op in zijn betoog dat hij vergeet die te serveren.

,,Ik was begin jaren zeventig werkzaam op een grote scholengemeenschap in Amsterdam. Als pedagoog. Ik had daar een zorgsysteem opgezet samen met een psychiater en een psycholoog. Honderden kinderen heb ik onderzocht en psychologisch getest met Wisk, de intelligentietest van Wechsler. Op een gegeven moment heb ik een experiment voorgesteld. Ik kreeg alleen de leerlingen onder ogen die leerproblemen hadden. Dus ik heb toen de suggestie gedaan om eens een heel leerjaar te onderzoeken. Daar ging de directie mee akkoord. Ik stond voor de klus 416 tweedeklassers psychologisch te testen. Zo'n test is intensief, kost drie à vier uur per kind. Daar ben je wel even mee bezig. In september begonnen, was ik in maart klaar.”

Wat bleek? ,,Onder die 416 leerlingen zaten er een stuk of zeventig die een prima basisintelligentie hadden, maar een sterk schommelend concentratievermogen. Concentratiestoornis duidt op angst. Bovendien waren er bij die kinderen aanwijzingen voor neurotische problemen. Die zeventig leerlingen deden het op school zo slecht dat ze zeker zouden blijven zitten. Ik heb toen voorgesteld om ze allemaal te laten overgaan, bij elkaar te zetten en ze een jaar te volgen.”

,,We maakten twee klassen, die les kregen van leraren die ik selecteerde. Ik koos leraren die van kinderen hielden, die er niet alleen stonden om hun vak te doceren, maar die het een genoegen vonden om met kinderen om te gaan. Ze mochten zelf weten hoe ze hun lessen invulden. Maar een voorwaarde was dat ze geen repetities zouden opgeven voor over een paar weken. Dat moet je bij die kinderen niet doen. Ze mochten alleen kleine schriftelijke werkjes in de klas te doen krijgen. Een andere voorwaarde was dat we met alle betrokken leraren eens per week al die leerlingen zouden bespreken.”

,,Tijdens die besprekingen kwamen enorme verschillen aan het licht. Ik gaf zelf geschiedenis in die klassen. Kinderen waarmee ik niets kon, werden door andere leerkrachten geprezen als modelleerlingen. Je vraagt je dan af of je zo'n kind wel goed benadert; je gaat sleutelen aan je houding en je ziet je relatie met zo'n kind verbeteren. In dat leerjaar scoorden al die kinderen boven het gemiddelde.”

,,Ik heb aan het eind van het schooljaar een uitgebreide enquête gehouden. De leerlingen waren enthousiast. Hun ouders zeiden dat ze ten goede waren veranderd. De betrokken leerkrachten vonden het een leuk jaar. Die resultaten heb ik gepresenteerd tijdens een vergadering van alle leerkrachten van de school. En wat gebeurde? De leraren weigerden dat te bespreken! Zij zagen de bui al hangen: in plaats van te oreren over hun vak, zouden ze met iedere individuele leerling een intensieve relatie moeten aangaan. Daar voelden ze niets voor.”

Die reactie was voor Schoufour een schok. Hij had in zijn loopbaan niet anders gedaan dan met kinderen werken. Een bewuste keuze, ooit. Hij was voorbestemd zijn vader op te volgen, die als aangenomen zoon van de Rotterdamse scheepvaartgigant Swarttouw diens stuwadoorsbedrijf had overgenomen. ,,Mijn vader kreeg van Swarttouw alle mogelijkheden en deed het goed. Maar hij zat met een probleem: een opvolger. Toen ik werd geboren, riep mijn vader: 'Ik zie me al met hem op de beurs staan'. Mij is nooit gevraagd wat ik wilde worden.”

Schoufour haalde in 1940 met moeite de hbs en ging bij zijn vader in de zaak. ,,Een leuk bedrijf. Kranen, schepen, ik vond het mooi.” Een spirituele ervaring maakte Schoufour vier jaar later echter duidelijk dat hij bij Swarttouw niet op zijn plek was. Twee jaar daaarna verliet hij het bedrijf om sociografie en filosofie te gaan studeren. Hij werd actief in de VCJC, de Vrijzinnige Christelijke Jeugd Centrale, en werkte tijdens zijn studie vrijwillig in het observatiehuis voor criminele jongeren in Amsterdam.

,,Ik praatte veel met die jongens. En ik ben ze psychologisch gaan testen. Het leek me een mooi onderwerp voor mijn doctoraalscriptie. Ik heb van zevenhonderd jonge criminelen de gezinsachtergrond onderzocht. Drie van hen kwamen uit een goed en hecht gezin. In veertig procent van de gevallen was de gezinsband verbroken. Je zag de enorme betekenis van een harmonieus gezin. Daar schortte het aan in veel gevallen.”

Die harmonie is, volgens Schoufour, in de eerste twee decennia na de oorlog verloren gegaan. ,,Toen de bezetting voorbij was dacht men: 'we gaan weer door zoals voor de oorlog'. Dat klopte ook: de jaren vijftig gingen vrolijk voorbij. Maar kinderen van een jaar of vijf, zes hoorden in die tijd dat er over de oorlog werd gepraat in termen van tirannie, van onvrijheid door een vreemd gezag. Dat nestelde zich in die hoofden. Dus toen die in de jaren zestig op de universiteiten en de pabo's zaten, wilden ze van geen autoriteit meer weten. Het was een vies woord geworden; autoriteit mócht niet meer, ook niet in het gezin.”

Een kolossale vergissing, zegt Schoufour: ,,Een kind heeft autoriteit net zo hard nodig als eten, drinken en liefde. Maar het zal de autoriteit van zijn ouders alleen accepteren als er harmonie is in het gezin. Harmonie komt van het Griekse 'harmonia', wat 'zwaluwstaart' betekent. Het is de verbinding, de onverbreekbare samenhang, de basis van waarden. Normen worden door de samenleving bepaald, maar ze rusten op de waarden, die op hun beurt op die harmonie zijn gebouwd.”

De autoriteitscrisis werd in de jaren zestig versterkt door de komst van de welvaartsstaat. Schoufour: ,,De gasbel van Slochteren werd ontdekt. Nederland was schatrijk! De lonen vlogen omhoog, we konden op school al het materiaal krijgen dat we hebben wilden. Ze wisten met het geld geen raad. Daar kwam een belangrijke ontwikkeling bij: de uitvinding van de pil. Gezinsplanning werd mogelijk. Tot die tijd had je in de stad gezinnen met gemiddeld vier kinderen, op het platteland gemiddeld zes kinderen.”

Welvaart en gezinsplanning hebben de verhoudingen binnen het gezin ingrijpend veranderd, zegt Schoufour. ,,Jongeren hebben nog maar een vijfde van de contacten die ik had op hun leeftijd. Het contact met hun ouders is minder intensief. De familie is grotendeels uit beeld verdwenen. Hun buren kennen ze niet. En de leraar heeft geen band met zijn leerlingen. Gevolg is een gevoel van eenzaamheid. En eenzaamheid is een van de weinige dingen die de mens absoluut niet kan verdragen.”

Schoufour is ervan overtuigd dat de strijd tegen jeugdcriminaliteit en voor herstel van normen en waarden niet in handen ligt van de overheid, maar van de mensen zelf. Zij zullen die harmonie moeten herstellen. En wel binnen het gezin: ,,In een harmonieus gezin leer je optimistisch tegen de wereld aan te kijken. In een verknipt gezin leer je dat de wereld een rotzooi is. Dat brengt jongeren tot criminaliteit.”

Het klinkt als een open deur, maar een gemakkelijke boodschap is het niet. Mensen willen helemaal niet horen dat ze het zelf zullen moeten doen, weet de 80-jarige pedagoog: ,,Ik ben wat dat betreft dankbaar voor Fortuyn. Ik zou nooit op hem stemmen, maar hij zei wel: wees weer mens.”

mailIcon print |