CDA-leider Jan Peter Balkenende veronderstelde ongeveer een jaar geleden nog dat hij minister van financiƫn zou worden in een kabinet met de PvdA onder leiding van Ad Melkert. Misschien met GroenLinks erbij en, wie weet, zelfs de ChristenUnie. Dat was niet zo'n wereldvreemd perspectief als het nu lijkt.
Het accent in het politieke debat lag de laatste paarse jaren op een thema dat christen-democraten en sociaal-democraten als vanzelf leek te verbinden: de kwestie van de 'pubieke armoede temidden van private rijkdom'. Alleen al door de kwestie zo te benoemen, schiepen beide partijen afstand tot de VVD, die dat als de partij van de particuliere lastenverlichting ook zo voelde. Het moment waarop Melkert het thema hoog op de agenda zette, in de zomer van 2000, markeerde dan ook het begin van het einde van de paarse coalitie.
Hoewel ze het niet hardop zeiden, beschouwden de liberalen de kritiek als een bewijs van ontrouw. Het einde was waarschijnlijk snel nadien gekomen, als niet Wim Kok in het Torentje had gehuisd. De PvdA gunde haar leider een elegant afscheid, maar betaalde daarvoor de prijs van een fataal proces van desintegratie in de paarse coalitie.
Een les uit deze geschiedenis kan zijn dat een coalitiekabinet, hoe onvermijdelijk ook in ons bestel, een zekere ideologische samenhang moet vertonen. Die notie relativeert de stelling van het pragmatische D66, dat in dit ideologieloze tijdperk elke coalitie mogelijk moet zijn.
Paars was in de laatste jaren, net als het derde kabinet-Lubbers van CDA en PvdA, van niemand meer. Daarin schuilt misschien wel de belangrijkste verklaring voor de grote nederlagen die de partijen leden die de kabinetten van niemand steunden. Woorden hebben nu eenmaal, zoals de liberale leider Bolkestein noteerde, hun betekenis.
Balkenende heeft een- en andermaal laten blijken dat hij die notie onderkent. Hij beschouwde de paarse coalitie als 'een merkwaardige mix van gezapige tevredenheid en sluimerend onbehagen, die een politiek zonder principes voerde'. Het was dus begrijpelijk dat hij als nazaat van Kuyper samenwerking met de sociaal-democraten voor ogen had. Zijn politieke stamvader vond dat het bestaande tot onrust noopte en voortdurend onder de tucht van architectonische kritiek moest staan. Van de cultuur van tevredenheid die de VVD onder Dijkstal uitwasemde, had hij niets moeten hebben.
Afgezien van de actuele politieke betekenis, spoorde een coalitie met de
PvdA ook met de visie van Balkenende op de ontwikkelingen in het politieke driestromenland. De jonge Kuyper ging er vanuit dat de tegenstelling individu - gemeenschap een nieuwe scheidslijn in de Nederlandse politiek zou trekken. Daarbij rekende hij PvdA en GroenLinks tot het gemeenschapskamp rond het CDA, de liberale partijen VVD en D66 tot het andere.
De profetische waarde van zulke bespiegelingen is gering in een land waar vrijwel alle partijen gemengde bedrijven zijn. GroenLinks bijvoorbeeld is altijd klakkeloos geplaatst in de lijn van het gemeenschapsdenken. Maar de nieuwe leider van deze partij, Femke Halsema, heeft al eens gezegd dat zij, gesteld voor de keuze, eerder voor de VVD dan voor het CDA zou kiezen, omdat de liberalen het individu centraal stellen.
Voorbeelden van het omgekeerde zijn er ook. De Rotterdamse CDA-wethouder Sjaak van der Tak was enkele jaren geleden een van de voortrekkers van een manifest van wethouders van CDA en GroenLinks, die pleitten voor samenwerking tussen beide partijen. Dat pleidooi maakte nauwelijks iets los. Christen-democraten werken, als het erop aankomt, liever samen met de redelijke en pragmatische politici van VVD en D66, hoezeer ook erfvijanden op het ideologische vlak, dan met bevlogen, laat staan radicale types. Reken het tot de ongerijmdheden in de Nederlandse politiek. Van der Tak is sinds het afgelopen voorjaar een van de drijvende krachten achter de samenwerking met de VVD en de fortuynisten van Leefbaar Rotterdam. Het kan dus snel verkeren.
Een bekend adagium uit de Britse politiek is Where you stand depends on
where you sit: waar je staat hangt af van waar je zit. Die wijsheid kan verklaren waarom Balkenende nu wat anders tegen de politieke zaken aankijkt dan een jaar geleden. Dat heeft weinig met zwalken te maken, veel met de drastisch gewijzigde omstandigheden - het is een bewijs van goed politiek leiderschap daarmee rekening houden. Niet alleen de verhoudingen, maar ook de politieke agenda heeft na de gebeurtenissen van vorig jaar een ander aanzien gekregen. Daarnaast is het politiek leiderschap van Balkenende (en anderen) zwaar beproefd - en dat telt ook mee. Als nimmer tevoren in de Nederlandse politiek geldt dat waar je staat afhangt van waar je zit.
Met andere woorden, het is helemaal niet zo vreemd dat Balkenende tegenover samenwerking met de PvdA wat anders staat dan een jaar geleden. Ook PvdA-leider Kok maakte in 1994, ondanks een voorkeur voor samenwerking met de christen-democraten, op het uur U een andere afweging. Ironisch genoeg speelde die afweging zich af op het sociale vlak, waarop PvdA en CDA als elkaars natuurlijke bondgenoten golden. Naderhand zei Kok dat elke coalitie in Nederland een verstandshuwelijk is. Zoals de recente geschiedenis heeft laten zien, is die rationaliteit begrensd. Een kabinet heeft ook een missie nodig en dat vraagt om een program dat steunt op enige ideologische samenhang.
De opgave in de onderhandelingen tussen PvdA en CDA is niet de verschillen uit te benen, maar te zoeken naar een program waarmee in deze tijd wat te regeren valt. Daar is, ook door de gebeurtenissen in het afgelopen jaar, weinig politieke energie in gestoken. Dat maakt zo'n coalitie nu minder vanzelfsprekend dan zij een jaar geleden leek. Maar niet onmogelijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.