Rijk, oud, kinderloos, arm aan andere familie en dement: wie voldoet aan die omschrijving, loopt het risico om ongemerkt geplunderd te worden. Zoals de oude mevrouw Bergsma.
Vroeger, minstens twintig jaar geleden, was ze een hele mevrouw. Tikje upper middle class, tikje artistiekerig. Veel kennissen uit de kunstwereld-allicht misschien, als je echtgenoot beeldend kunstenaar is; maar niet iedereen heeft musici en beeldhouwers in z'n kennissenkring.
Zo moet je je haar voorstellen vóór haar echtgenoot overleed en vóór de dementie begon op te rukken. Zelf gaf ze Engels op een middelbare school. Daar moet ze goed in zijn geweest, dat kan niet anders. Een van de mensen in de straat kwam jaren later een oud-leerling van haar tegen. Die vroeg, nog altijd vol ontzag: 'Woon jij in dezelfde straat als mevrouw Bergsma?'
Ze hield ervan mensen te ontvangen. Ze kookte in die tijd graag: klassieke, verzorgde maaltijden - met zulke mooie details als, herinnert een ver familielid zich, dat ze in een jeneverglas altijd een paar jeneverbessen deed.
In de straat kwamen verschillende buren geregeld bij haar eten; de straat was min of meer een vriendenclub. Je ging bij háár eten; andersom, dat gebeurde eigenlijk nooit. Er stond allerlei kunst in haar huis. Maar niet voor de show. Vond het bezoek iets erg mooi, dan kon het gebeuren dat ze zei: ,,Vind je dat zo mooi? Neem maar mee dan.'' Ze was niet zo op bezit.
Maar toen ging haar man dood. Die was tien jaar ouder dan zij. Ze hadden nooit kinderen gekregen en ze had zelf geen familie meer. Er was eigenlijk alleen een nicht van haar overleden man - maar die woonde met haar gezin helemaal in Leeuwarden.
Na dat overlijden brak een periode aan dat ze, ja eigenlijk moet je gewoon zeggen: dat ze drammerig werd. Langzaamaan veranderde het van 'leuk' in 'corvee', om bij haar te eten. Van een gesprek was eigenlijk geen sprake meer: ze nam het woord en ze blééf aan het woord, urenlang. Altijd waren het dezelfde verhalen, over haar ouders, over haar man. Ze deed er ook steeds langer over om een maaltijd te maken. Haar bezoek dat net als vroeger om een uur of vijf binnen kwam kreeg nu pas tegen half twaalf het toetje. Later kookte ze niet meer zelf, maar serveerde ze iets wat ergens gehaald was. Familieleden van haar man, die meestal op zondag kwamen, merkten wel dat tante de oude niet meer was, maar de vergissingen hadden iets hilarisch. Bijvoorbeeld wanneer tante voor iedereen, ook voor nichtjes van een jaar of zeven, een glaasje whisky inschonk.
In die tijd begon ze ook zelf wel te merken dat het allemaal niet meer zo makkelijk ging. Ze vroeg een buurman of die misschien gemachtigde wilde zijn voor haar geldzaken want, zei ze, aan het loket deed ze er tegenwoordig zo lang over en ze vond dat ze voor gek stond. Maar die buurman vond haar intussen eigenlijk niet meer zo aardig en voelde er niet voor. Twee of drie keer per jaar kwam er voor de administratie een mevrouw langs, dat wel. Die haalde dan alle onbetaalde rekeningen uit een la en bracht financiële orde. Het ging in die tijd weleens over een verzorgingshuis, maar daar voelde ze niets voor.
Ze had een huishoudelijke hulp. Die werkte al jaren bij haar. Ook bij een van de overburen, en bij nog een paar mensen verderop in de straat. De hulp was een vrouw uit het volk, in haar termen. Mevrouw Bergsma had altijd al iets over zich gehad dat je de minder bedeelden moest helpen. De hulp was zelf ook niet meer de jongste; ze was dik in de zestig en had een nogal turbulent leven achter de rug. Kinderen uit een paar verschillende relaties, nogal eens geslagen. Mevrouw Bergsma beschouwde die werkster als iemand die in het leven zoveel minder kansen had gekregen dan zijzelf en die zij met gesprekken een beetje hielp. De buren zeiden weleens dat ze het ook omgekeerd kon zien. Betaal haar maar goed, want je kunt onderhand zelf alle hulp gebruiken die je kunt krijgen, zeiden ze dan.
Naarmate mevrouw Bergsma hulpbehoevender werd, zegde de hulp haar andere adressen een voor een op. Uiteindelijk kwam de hulp alleen nog bij haar, vijf dagen in de week, tot half vier 's middags. Kwam er bezoek terwijl de hulp er was, dan zat dat net als altijd met mevrouw Bergsma aan de tafel. Maar nu kwam de hulp er bij zitten. En die had overal commentaar op. Dat zij zelf de enige was die naar mevrouw Bergsma omkeek. Dat al die kennissen eigenlijk maar rovers waren. Het bezoek voelde zich niet welkom. Kennissen en familie werden weggekeken.
Dus, wat gebeurde? De kennissen en de buren kwamen alleen nog langs op tijden dat de hulp al naar huis was. Alleen de voorlees-buurvrouw viel buiten die vijandige houding van de hulp. Niet dat mevrouw Bergsma inmiddels nog kon onthouden wat haar werd voorgelezen, maar terwijl ze werd voorgelezen was ze er wel helemaal 'in'. En de hulp vond dat voorlezen prima, omdat ze dan kon zeggen: ,,Ik ga nu weg, maar om vijf uur begint het voorlezen''.
Eind 2000 zeiden de buren tegen elkaar: we moeten toch eens met mevrouw Bergsma gaan praten, ze moet iemand tot bewindvoerder benoemen. Eerst probeerden ze daarvoor een afspraak met haar te maken. Maar de hulp zag die afspraak in de agenda staan en wimpelde 'm af. En voor buren was het al een hele stap om handelend op te treden.
Van mensen verderop in de straat, die iets in de kunst deden en die de overleden echtgenoot goed hadden gekend, kwam een tijdje later het signaal dat mevrouw Bergsma eigenlijk best veel geld had. Hoeveel precies wist niemand, maar dat gerucht ging. De hulp had altijd haar vaste verhaal: ,,Het is toch te gek dat ik me uit de naad werk en dat haar geld later gaat naar mensen die niks doen! En die toch al zoveel geld hebben! Die niet eens op bezoek komen!''
Begin 2001 hoorde de voorleesbuurvrouw van de hulp dat mevrouw Bergsma besloten had haar werkster het huis na te laten. Een prachtig, statig huis. De hulp vond dat wel terecht, want anderen doen toch niks, zei ze erbij. Dat bericht was voor de gezamenlijke buren aanleiding om eens te gaan praten met de notaris van de Bergsma's, over een bewindvoerder. Maar die zei: alleen familie, of mevrouw zelf, of de officier van justitie, kan een bewindvoerderschap aanvragen. Die notaris vertelde ook dat hij, eerder al, geweigerd had om het testament te wijzigen omdat hij mevrouw Bergsma van vroeger kende en kon zien hoe ze achteruitgegaan was. De buren lieten het bewindvoerderschap toen verder zitten. Hadden we dat toen niet gedaan, dan zou de latere geschiedenis niet zo ver gekomen zijn, zeggen ze nu. Maar op dat moment wisten ze dat nog niet. En omdat ze zelf geen familie waren vonden ze dat de hulp eigenlijk best mocht erven. Die deed per slot van rekening toch echt een hoop?
Maar dat voorjaar begon mevrouw Bergsma zelf te klagen. Als de buurvrouw kwam voorlezen, dan zei ze zulke dingen als ,,Het gaat niet goed'', of: ,,Ik ben een ding, dat heen en weer gelegd wordt''. Ook had ze het erover dat ,,ze me in een hok willen opbergen.'' Ze was onrustig en ongelukkig. Ze was dan wel dement geworden - ,,het is net of een zware deur in m'n hoofd is dichtgevallen'', noemde ze dat tegenover een achternicht - maar ze kon nog wel duidelijk maken dat er iets gaande was dat haar niet zinde.
Dat, plus het feit dat er opeens een ander slot op de voordeur zat, werd voor de buren de druppel waardoor de emmer overliep. Een paar mensen in de straat hadden een sleutel van haar huis, maar opeens konden ze er niet meer in. Winter 2001 zat er opeens een nieuw slot in: zoeen waarvan je de sleutels niet zomaar kunt laten namaken. De voorlees-buurvrouw stond dus voor een dichte deur. Dat is ook het moment geweest dat de kunstzinnige buurman opbelde naar de bank van mevrouw Bergsma, met de vraag: kunnen jullie niet eens bij haar langsgaan om de financiële toestand op te nemen?
We zijn eigenlijk heel blij dat u belt, zei de bank, want de laatste tijd wordt er zo vaak geld opgenomen van haar rekening; gaat dat zo door, dan is het geld straks op.
Zo kwamen ze er achter dat de hulp zich in de voorafgaande zomer, zonder dat iemand daarvan wist, officieel als partner van mevrouw Bergsma had laten registreren, en nu kennelijk bezig was haar geld op te nemen - want geregistreerde partners kunnen bij elkaars bankrekening. Voorjaar 2001 had de hulp de oude dame langs de ene na de andere notaris gevoerd, om zichzelf in het testament te laten opnemen - en: om anderen eruit te laten wegschrappen. Zoals een paar eerdere werksters, en de schaarse familie.
De eerste, de vaste notaris van het voormalige echtpaar Bergsma, had in de gaten gehad dat de oude mevrouw niet meer was wie ze ooit was en had daarom geweigerd het testament te wijzigen. Maar shoppend langs drie andere had de hulp uiteindelijk toch een notaris gevonden die niet werd gehinderd door scherpe ogen. Nu de werkster partner was, zou ze veel minder successierechten hoeven betalen over wat ze in het testament kreeg toebedeeld.
De buren zijn toen naar de politie gegaan en hebben aangifte gedaan van wat de bank zei: dat de partner van de oude mevrouw Bergsma grote bedragen van de bank haalde. Dat was in maart 2002. Begin juni is een buurman benoemd tot mentor en medebewindvoerder. Een maand later is het hele partnerschap nietig verklaard. De rechter vond het aannemelijk dat de oude mevrouw Bergsma in de zomer van 2001 al niet meer de geestelijke vermogens had om te begrijpen waar ze ja op zei.
De hulp heeft een paar dagen in het huis van bewaring gezeten en kreeg zolang het politie-onderzoek duurde een straatverbod voor de straat van haar voormalige werkgeefster. Ze heeft nog geprobeerd - een juridische primeur - de nietigverklaring van het partnerschap aan te vechten, met het argument: 'nergens staat dat je een liefdesrelatie moet hebben met degene met wie je partners wordt'. Maar dat hoger beroep verloor ze. Dus kan nu de procedure in gang worden gezet om haar het geld te laten terugbetalen. In vier maanden tijd is er 50000 euro van de rekening afgehaald, zei de politie tegen de buren.
Kan zoiets zomaar? Jazeker. ,,Een notaris moet kort gezegd de overtuiging hebben dat een testateur niet wilsonbekwaam is, maar er bestaat geen controle-lijst waarmee je dat zou kunnen meten'', zegt kandidaat-notaris M. de Vries, werkzaam bij een notaris in Leiden. ,,De Wet op het Notarisambt bevat de bepaling dat je als notaris je diensten niet mag weigeren, tenzij er een gegronde reden voor is, bijvoorbeeld als je de overtuiging hebt dat iemand niet compos mentis is. Ben je familienotaris, dan zie je iemands verval vermoedelijk nog wel. Maar zie je iemand voor het eerst, dan is de kans aanwezig dat het niet opvalt. De notaris bij wie in een geval als dit een testament is gepasseerd, zal zeggen: op mij moet die oude mevrouw een normale indruk gemaakt hebben anders had ik mijn diensten geweigerd. En dat geldt ook voor de getuigen. Tot januari 2003 moesten bij een testament dat passeerde getuigen aanwezig zijn. Ik ben zelf vaak genoeg getuige geweest. Je bent bij het passeren van het testament aanwezig, maar je kunt onmogelijk onthouden wat er in al die testamenten is vastgelegd en of iemand op dat moment een 'gezonde indruk' maakte. De vraag of iemand voldoende wilsbekwaam is, is een moeilijke. Dat blijkt wel uit de constante stroom van rechtspraak die hierover is. Tijdens mijn studie en in de praktijk heb ik geleerd dat je de door de wet voorgeschreven formaliteiten in acht moet nemen, objectief moet zijn, en bij twijfel niet moet passeren.''
Bij Burgerzaken van de gemeentes, waar sinds 1998 partners zich kunnen laten registreren, gaat het nog wat lijdelijker toe. Net als bij een huwelijk is er wel een lijstje omstandigheden waaronder je géén partnerschap mag afsluiten en net als bij een huwelijk controleert een gemeente bij de aangifte (dat moment heet in het geval van een huwelijk 'de ondertrouw') of er zoiets speelt. Zijn de partners niet te jong? Zijn ze geen naaste bloedverwanten van elkaar? Loopt er geen ander huwelijk, of een ander partnerschap? Staan ze geen van beiden onder curatele? Zijn ze allebei in staat tot een wilsverklaring? Is dat allemaal in orde, dan mag het huwelijk gesloten, of het partnerschap geregistreerd worden.
,,Eens in de zoveel tijd denkt elke ambtenaar van Burgerzaken wel eens: 'nounou, zou dit wel in de haak zijn','' zegt een woordvoerder van de gemeente Haarlem. ,,Bij een oudere vrouw met een aanzienlijk jongere man, bijvoorbeeld. Dat wordt dan in het werkoverleg even bepraat. Maar je kunt niet méér doen dan controleren, in de gemeentelijke basisadministratie, of iemand onder curatele staat. Zo niet, dan ben je uitgepraat. Je kunt dus niet zeggen: u staat misschien niet onder curatele, maar wij vinden dat dat eigenlijk wel zo zou moeten zijn. Zolang iemand niet onder curatele staat en 'ja' kan zeggen, gaan we er vanuit dat hij of zij wilsbekwaam is. Meer stelt het niet voor.''
De buren van de oude mevrouw Bergsma vinden dat wat al te minimaal. Waarom zou je boven een bepaalde leeftijd niet verplicht moeten worden om voor een huwelijk of partnerschap even langs een huisarts te gaan en die te laten controleren of de betrokkene nog wel wilsbekwaam is, vinden zij. Als je je rijbewijs wilt verlengen en je bent boven de 70, dan moet je toch ook langs een arts? En waarom stellen diensten Burgerzaken bij de gemeentes eigenlijk zo weinig eisen aan de getuigen?
En dat terwijl de vergrijzing voor de deur staat. Op het moment is 13,5 procent van alle Nederlanders 65 of ouder, en is 3,3 procent 80-plusser. Die percentages gaan flink groeien, voorspelt het CBS. Op het hoogtepunt van de vergrijzing, volgens het CBS in 2038, zal ruim 23 procent van de bevolking ouder zijn dan 65. Zitten daar net zoveel tachtigplussers tussen als nu, dan vormen ze in 2038 5,6 procent van alle Nederlanders. Maar er is reden om aan te nemen dat tussen die generatie, geboren in 1958, heel wat meer mevrouwen Bergsma zullen zitten. Die generatie telt immers heel wat meer kinderloze vrouwen die banen gehad en huizen gekocht hebben.
,,Je hebt als ambtenaar van Burgerzaken toch een zekere lijdelijkheid'', zegt de jurist van die dienst in de gemeente Utrecht, Jan Otten. ,,Je kunt wel weigeren om een een huwelijk of een partnerschap te sluiten. In de praktijk gebeurt dat hier in de stad zo'n tweemaal per maand. Maar dan gaat het om schijnhuwelijken met buitenlanders, met een verblijfsvergunning als doel. Dat lukt jaarlijks in tien gevallen, met de Wet op de Schijnhuwelijken in de hand. Maar gaat het niet om een buitenlander, zijn de papieren in orde maar heb je toch je twijfels, dan strand je al gauw op privacyregels. 'Heeft u een vermogen?', of: 'Wat zijn eigenlijk uw beweegredenen?', dat mag je niet vragen.''
Bij de Dienst Burgerzaken in hun eigen woonplaats is de ambtenaar die het partnerschap tussen mevrouw Bergsma en haar hulp voltrok, destijds niets vreemds opgevallen. Twee vrouwen, van wie de een aanzienlijk ouder dan de andere, maar dement?
Volgens kandidaat-notaris De Vries zou een verplichte doktersverklaring om een praktische reden geen begaanbare weg zijn: ,,Heel wat testamenten zijn haastwerk, worden op de valreep gemaakt. Als je er eerst een dokter bij moet halen, dan ben je zomaar veertien dagen verder.'' Gemeentelijk jurist Otten ziet ook niets in een verplichte doktersverklaring, maar om een andere reden: ,,Bij een rijbewijs is sprake van gevaar voor derden. Bij een huwelijk of partnerschap niet. Het zou een gigantische politieke rel opleveren, het zou in strijd zijn met alle internationale verdragen over privacy, wanneer je zou eisen dat ouderen pas partners mogen worden na een doktersverklaring.''
Otten zou een andere weg veel begaanbaarder vinden: koppel huwelijk en partnerschap los van het erfrecht en van subsidies. Volgens hem maakt dat financieel misbruik van huwelijk of partnerschap onmogelijk. ,,Dan is er nog maar één motief over om te trouwen of partners te worden: dat je een gezin kunt stichten en elkaar in voor- en tegenspoed wilt bijstaan.''
Mevrouw Bergsma is inmiddels 92 en woont nog altijd in haar eigen huis. Van het geld dat de werkster nog op de bank had laten staan wordt nu bij een particulier bureau thuiszorg gekocht, 24 uur per dag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.