Met het overlijden van de emeritus-hoogleraar dr. E.H. Kossmann (1922) is een erudiet historicus heengegaan. Hoewel zijn belangstelling vooral uitging naar politiek-historische onderwerpen, vatte hij zijn stof zo breed op dat de lezer zelden de indruk krijgt met een specialist van doen te hebben.
Zijn bekendste werk, de tweedelige geschiedenis van Nederland en België tussen 1780 en 1980, levert het bewijs. 'De Lage Landen', zoals de laconieke titel luidt, is inderdaad primair een proeve van staatkundige geschiedenis maar het valt op dat onder meer de hoofdstukken over cultuur en literatuur tot de beste behoren.
Hoezeer Kossmann zijn stof beheerste, werd mij pas duidelijk toen ik 'voor de aardigheid' eens naging wat hij had geschreven over een thema waarmee ik mij een tijdlang redelijk intensief had beziggehouden. Bij lezing kreeg ik een kleine schok: het hoofdstukje 'De socialistische en confessionele partijen', krap acht bladzijden, was zo compleet en bevatte zoveel rake observaties dat ik het boek lichtelijk beschaamd weer sloot.
Kossmann verstond niet alleen de kunst een handboek van ruim 800 bladzijden te concipiëren, hij was ook een meester op de korte baan, in zijn vele artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Wie hiervan een indruk wil krijgen, moet zijn bundel uit 1995 ter hand nemen: 'Vergankelijkheid en continuïteit'. Ze bevat tevens zijn geloofsbelijdenis als historicus: de essentiële betekenis van het besef van continuïteit.
Zijn meest charmante publicatie is zonder enige twijfel zijn 'Familiearchief' met de even informatieve als bescheiden ondertitel 'Notities over voorouders, tijdgenoten en mijzelf'. Al zijn sterke punten komen erin tot uiting: zijn observatievermogen, zijn vertelkunst en vooral zijn lichte ironische stijl.
Kossmann was een groot stilist. Met een enkele, bijna terloopse tussenzin kon hij heel veel zeggen. Zijn voorgangers Rogier en Geyl prijst hij als historici 'die mede dankzij hun lichamelijke gezondheid in staat waren zeer veel werk te verrichten -meer eigenlijk dan zij van zichzelf behoefden te eisen- zonder zich uit te putten en zonder hun hoge niveau van beschouwing en schriftuur te verlagen.'
Even terloops is zijn dodelijke oordeel over de wijsbegeerte die hem als student korte tijd bekoorde. Toch, schrijft hij, 'heb ik nooit begrepen hoe iemand zich tot volgeling van een van de talloze tegenstrijdige systemen kon maken - bewees de tegenstrijdigheid niet de willekeurigheid van allemaal?'
Kossmann stond bekend als een zachtaardige man, en zo heb ik hem de enkele keren dat ik hem persoonlijk ontmoette ook ervaren. Niettemin kon hij op papier bijzonder resoluut, bijna brutaal, uit de hoek komen, over historische verschijnselen zo goed als over collega's.
De Tachtigers die zich rond 'De Nieuwe Gids' schaarden, schrijft hij, hadden hun blad een verkeerde naam gegeven: ,,Deze generatie gaf geen leiding. Zij wilde en zij kon dat niet. Zij vertegenwoordigde noch een intellectueel systeem noch een sociale groep.''
Over Jan Romeins zoektocht naar historische objectiviteit waarbij hij het waagstuk uithaalde te onderscheiden tussen de valse en de ware tijdgeest, de laatste opgevat als de zijne: ,,Het is een zonderling, zowel gekweld als behaagziek stuk. (...) Men krijgt inderdaad de indruk dat hij totaal in de war was geraakt.''
De afrekening met Romein, die ik persoonlijk te cru vind, is een uiting van Kossmanns diepgewortelde afkeer van grote visies en luide klaagzangen. Dat Romein, Huizinga en de socioloog P.J. Bouman de jaren dertig plachten af te schilderen als een tijd van diepe culturele en maatschappelijke crisis, wekte bij hem wrevel. Zó erg was het in die tijd met Nederland toch niet gesteld. De overvloedige aandacht van historici en sociologen voor de verzuiling van de samenleving deed hem schouderophalend opmerking dat hij er in zijn jonge jaren niets van had gemerkt.
Reacties als deze hadden veel te maken met het beschermde milieu waaruit hij was voortgekomen: een gezin uit de ontwikkelde burgerij, intellectueel en literair geïnteresseerd, liberaal en tolerant, ver van de platte werkelijkheid van alledag. Die achtergrond tastte soms zijn oordeelsvermogen aan: wat hij persoonlijk niet had ervaren, deed hij te snel af als imaginair.
Het kon ook tot mooie, volstrekt ontnuchterende oordelen leiden. In februari 1943 werd hij als student bij een razzia opgepakt en naar Duitsland gevoerd waar hij de rest van de oorlog als dwangarbeider zou blijven. Hij beschrijft zijn lotgevallen maar excuseert zich voor de term 'dwangarbeider'. Dwangarbeid betekent 'vrijheidsstraf met gedwongen zware arbeid'. Welnu, hij had inderdaad lange dagen in een fabriek gemaakt maar in de weekends was hij vrij om te gaan en staan waar hij wilde. Hij bezocht in zijn vrije tijd Duitse familieleden en hij ging naar de opera. ,,Ik heb nooit zoveel in cafés, eethuizen en bioscopen rondgehangen als toen.'' Akkoord, anderen werden door bombardementen vaak zwaar getroffen maar hijzelf wenste zich niet de titel 'dwangarbeider' te laten aanleunen.
Het is Kossmann ten voeten uit: ontspannen 'te midden van de woedende baren', vol scepsis over grote woorden en overtrokken pretenties, vrij van zelfbeklag en daarom kritisch over weeklagende lotgenoten. Niet alleen historici, ook politici en journalisten kunnen bij hem in de leer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.