'We klampen ons vast aan de illusie dat nog meer rijkdom ons eindelijk het geluk zal brengen waar we al zolang naar op zoek zijn', schrijft Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de UvA. Maar we kunnen ons beter richten op de ongekende mogelijkheden die onze huidige welvaart al biedt: 'Van kunst en muziek genieten, een boek lezen, een spel spelen en de liefde bedrijven zijn onuitputtelijke bronnen van bevrediging en geluk.'
'Nooit meer je fietsband plakken. Nooit meer de lege flessen wegbrengen. Nooit meer de wc schrobben. Nooit meer strijken. Nooit meer onkruid wieden.' Met deze vooruitzichten trachtte de Staatsloterij onlangs de krantenlezer ertoe te verleiden om een lot te kopen. Wie droomt er niet zo nu en dan van om rijk te worden? Blijkbaar steeds meer mensen, want de laatste vijf jaar zijn Nederlanders bijna tweemaal zoveel geld aan loterijen gaan uitgeven. Ging het in 1997 nog om 853 miljoen euro, in 2002 was dit opgelopen tot 1416 miljoen, ofwel meer dan 110 euro per volwassene. En hoewel iedereen wel de verhalen kent van loterijwinnaars die ten prooi vielen aan geldbeluste 'vrienden', wijst onderzoek uit dat rijke mensen gemiddeld genomen inderdaad gelukkiger zijn dan armere mensen.
Geld maakt dus wel degelijk gelukkig? Het is maar hoe je het bekijkt. Sinds 1980 is de gemiddelde Nederlander anderhalf maal zo rijk geworden. Wie had twintig jaar geleden durven dromen van een mobiele telefoon, een magnetron, een videorecorder en een supersnelle computer? Anno 2003 zijn dit alledaagse consumptiegoederen, waar het merendeel van de huishoudens over beschikt. Toch zijn we in die twintig jaar tijd niet noemenswaardig gelukkiger geworden. In 1980 noemde 87 procent van de Nederlanders zich gelukkig of zeer gelukkig. In 2002 was dat precies één procent meer. Vijftig procent meer inkomen heeft dus slechts één procent meer geluk opgeleverd. Dit fenomeen doet zich niet alleen in Nederland voor. Internationaal onderzoek laat zien, dat welvaartsgroei in arme landen zich nog wel weerspiegelt in het geluk van de bevolking, maar dat er in rijke landen nauwelijks verband bestaat tussen welvaartsgroei en geluk. Hoe komt dit?
Verzadiging of afgunst?
Een voor de hand liggende verklaring is dat we inmiddels zo rijk zijn dat we een verzadigingspunt hebben bereikt. We hebben eigenlijk alles al wat ons hartje begeert, en nog méér rijkdom voegt nauwelijks iets toe aan ons geluk. Maar waarom willen we dan toch steeds rijker worden? Waarom doen we massaal mee aan loterijen? En waarom zijn rijke mensen dan toch gelukkiger dan arme mensen? Blijkbaar zijn onze behoeften nog lang niet verzadigd. Maar als we allemaal rijker worden, worden we toch niet gelukkiger.
Heeft het dan te maken met onderlinge vergelijking, met afgunst en jaloezie? Daar zit iets in. Hoe we onze situatie waarderen wordt mede bepaald door de situatie waarin anderen in onze omgeving zich bevinden. Maar ook dit kan het verschijnsel niet helemaal verklaren. Je zou dan verwachten dat mensen die rijker worden, maar tijdelijk gelukkiger zouden zijn. Na een tijdje ga je je immers vergelijken met je nieuwe omgeving en zie je vooral mensen die nog rijker zijn. Je geluk zou dan weer snel naar het oude niveau terugzakken. Dit blijkt echter niet het geval te zijn: rijkere mensen blijven gelukkiger.
Absolute schaarste
Er is echter nog een derde verklaring voor het feit dat rijken gelukkiger zijn dan armen, maar dat we niet gelukkiger worden als we allemaal rijker worden. Deze verklaring is in 1976 geopperd door de Engelse econoom Fred Hirsch in zijn boek The social limits to growth. Een paar jaar nadat de Club van Rome de aandacht vestigde op de fysieke grenzen aan de groei door de eindigheid van de natuurlijke hulpbronnen, wees Hirsch erop dat de sociale grenzen aan de groei nog veel knellender zijn. Hirsch stelde vast dat naarmate een land rijker wordt, de voorkeur van de bevolking verschuift van goederen die relatief schaars zijn naar goederen die in absolute zin schaars zijn. Relatieve schaarste kan worden verholpen door meer te produceren. Als er te weinig voedsel is om de bevolking van een land te voeden, is de oplossing gelegen in het verhogen van de voedselproductie. Hetzelfde geldt voor de schaarste aan vele andere materiële goederen: kleding, meubilair, televisies, auto's, computers. Rijke landen slagen er beter in de schaarste aan deze goederen te verminderen dan arme landen. In een land waar vrijwel iedereen over deze goederen beschikt, zijn de mensen dan ook gelukkiger dan in een land waar ze voorbehouden zijn aan een rijke bovenlaag.
Maar als we eenmaal van deze goederen zijn voorzien, verschuift onze voorkeur naar goederen die er niet zo gemakkelijk bij te maken zijn. Deze goederen zijn in absolute zin schaars en worden door Hirsch positionele goederen genoemd. Een bekend voorbeeld zijn schilderijen van een oude meester, zoals Vermeer. Daarvan zijn er wereldwijd niet meer dan 35 voorhanden, en dat zullen er nooit meer worden, hoe rijk we ook zijn. Naarmate we rijker zijn groeit de vraag naar Vermeers, waardoor de prijs ervan des te sneller stijgt. Zelfs voor de rijksten onder ons wordt een Vermeer dan onbetaalbaar. Het voorbeeld van een oude meester zou echter ten onrechte de indruk kunnen wekken dat positionele goederen zeldzame verschijnselen zijn. In werkelijkheid zijn ze alom tegenwoordig. Veel goederen die zich op het eerste gezicht niet van 'gewone' goederen onderscheiden, blijken bij nadere beschouwing positionele goederen te zijn.
Positionele goederen
Neem een vrijstaand huis in een landelijke omgeving. De vraag naar deze huizen groeit naarmate we rijker zijn. In een klein dichtbevolkt land als Nederland is het aanbod van landelijk gelegen villa's echter per definitie beperkt, waardoor ze verhoudingsgewijs steeds duurder worden. Ondanks de welvaartsstijging komen deze huizen daarom toch niet binnen het bereik van meer mensen. En zouden we het platteland volbouwen met villa's, dan worden die snel minder aantrekkelijk doordat de omgeving minder 'landelijk' wordt.
Vervoer per auto is ook een positioneel goed. Weliswaar heeft inmiddels bijna iedereen een auto, maar dit betekent niet dat we minder tijd kwijt zijn aan reizen dan vroeger. Integendeel, er blijkt een 'wet van behoud van reistijd' te bestaan. Naarmate we over snellere en goedkopere vervoermiddelen beschikken, gaan we meer en verder reizen waardoor we minstens even lang onderweg blijven. De laatste 25 jaar zijn we zelfs meer tijd aan reizen gaan besteden. In 1975 was de gemiddelde Nederlander zes uur per week onderweg, in 2000 was dit opgelopen naar 7,5 uur. De verklaring hiervoor is tweeërlei: enerzijds zitten we elkaar, naarmate we meer auto's hebben, letterlijk meer in de weg en staan we vaker in de file. Anderzijds zijn we, juist omdat we over een auto beschikken, steeds verder van ons werk gaan wonen en moeten dus meer reizen.
Een heel ander positioneel goed is persoonlijke dienstverlening. Een van de prettigste kanten van rijk zijn is dat je anderen voor je kunt laten werken. De allerrijksten hebben zich altijd onderscheiden door het leger aan bedienden, lakeien, hofdames, bewakers, tuinlieden en chauffeurs dat tot hun beschikking stond. Het vooruitzicht anderen je fietsband te laten plakken, je wc te laten schrobben en je wasgoed te laten strijken, is, getuige de advertentiecampagne van de Staatsloterij, voor velen blijkbaar een belangrijke drijfveer om rijker te willen worden. Maar als we allemaal rijker worden, zal niemand dit doel realiseren. De dienstverleners die je voor je wilt laten werken, gaan dan immers ook meer verdienen en worden eveneens duurder. Het gevolg is niet alleen dat steeds minder (rijke) huishoudens zich nog kunnen permitteren om personeel in dienst te hebben. Het betekent ook dat de dienstverlening in de zorg, in het onderwijs, in het welzijnswerk, bij de politie, enz., verhoudingsgewijs duurder wordt. We willen maar al te graag geloven dat welvaartsgroei ons de middelen zal verschaffen om die publieke dienstverlening uit te breiden. Feit is evenwel dat dit niets met het welvaartsniveau te maken heeft. We kunnen de publieke diensten alleen uitbreiden als we bereid zijn er een steeds groter deel van ons inkomen aan uit te geven.
Misschien het duidelijkste voorbeeld van een positioneel goed is tijd. Tijd is geld, luidt het gezegde, maar het omgekeerde geldt niet: je kunt met geld geen tijd kopen. Of in ieder geval maar een beetje. Rijke mensen worden wel iets ouder dan arme mensen, maar de tijd die tot je beschikking staat, is voor iedereen eindig. Het aantal uren in een dag en het aantal dagen in een jaar liggen onwrikbaar vast. Lange tijd gingen we, naarmate we rijker werden, wel meer vrije tijd kopen. Een flink deel van de welvaartsgroei hebben we de afgelopen eeuw besteed aan verkorting van de arbeidsduur. Maar daaraan lijkt langzamerhand een einde te komen. De verklaring hiervoor is dat een uur vrije tijd steeds duurder wordt naarmate we in een uur werk meer gaan verdienen. Economen zeggen dat de schaduwprijs van een uur vrije tijd gelijk is aan het loon dat je in datzelfde uur kunt verdienen. Daarom willen we die kostbare vrije tijd zo efficiënt mogelijk besteden en er zo veel mogelijk activiteiten in proppen. Het gevolg is echter dat ook onze vrijetijdsbesteding steeds meer lijdt onder de tijdsdruk en de jachtigheid waaronder we op ons werk gebukt gaan. Naarmate we rijker zijn, lijken we steeds minder in staat echt van onze vrije tijd te genieten.
Geluk ligt voor het oprapen
Zodra de economie even wat tegenwind ondervindt, de consumenten een stapje terug moeten doen en de regering de burgers met tal van bezuinigingen confronteert, stelt menigeen zijn hoop op economisch herstel. Als de groei maar eenmaal aantrekt, de koopkracht weer omhoog gaat en de regering meer financiële armslag krijgt, zal het leven een stuk aangenamer worden, zo luidt de verwachting. Maar is het eenmaal zover, dan is de onvrede des te groter als die verwachtingen niet blijken uit te komen. Dit ondervonden de bewindslieden van het tweede paarse kabinet in 2001: hoewel het de gemiddelde Nederlander in veel opzichten beter ging dan ooit, bereikte de ontevredenheid over het regeringsbeleid een hoogtepunt. Zolang we de illusie blijven najagen dat meer welvaart en rijkdom ons gelukkiger zullen maken, zullen we steeds weer bedrogen uitkomen - althans de meesten onder ons.
Om aan onze welvaart echt meer geluk te kunnen ontlenen, zullen we ons erbij moeten neerleggen dat de schaarste aan de meest begeerde goederen niet valt op te heffen. We zullen onze ambities moeten aanpassen. Dit betekent niet dat we ervan moeten afzien om naar meer welvaart en geluk te streven. Maar we zullen die vooral moeten zoeken in goederen die niet in absolute zin schaars zijn. Aan de ene kant kunnen wetenschap en technologie ons nog vele nieuwe produkten leveren die het leven plezieriger en aangenamer maken: het definitieve geneesmiddel tegen kanker of tegen verkoudheid, de videofoon of de driedimensionale tv, de robotstofzuiger of de intelligente koelkast die zijn eigen bestellingen doet.
Aan de andere kant zijn er nog vele mogelijkheden voor groei in de immateriële sfeer en in de vrije tijd. Niet door steeds méér activiteiten te ondernemen, maar door je in een beperkt aantal ervan te verdiepen. Van kunst en muziek genieten, een goed gesprek voeren, een boek lezen, een spel spelen en de liefde bedrijven zijn onuitputtelijke bronnen van bevrediging en geluk. Het aantrekkelijke ervan is, dat ze meer bevrediging schenken, naarmate je er meer tijd en energie in steekt en er meer bedreven in raakt. Aan schaken beleef je langer plezier dan aan klaverjassen, en des te meer naarmate je het beter beheerst. Een boek uit de wereldliteratuur verschaft meer genoegen dan een romannetje uit de boeketreeks. En een serieuze inhoudelijke discussie is bevredigender dan het zoveelste gesprek per mobieltje. De cijfers wijzen echter uit dat we voor deze activiteiten juist steeds minder tijd uittrekken: tussen 1975 en 2000 zijn we bijna de helft minder tijd gaan besteden aan het lezen van boeken (van 1,6 uur naar 0,9 uur per week), een kwart minder tijd aan sociale contacten (van 11,3 uur naar 8,5 uur) en de helft minder tijd aan gezelschapsspelen en spelen met kinderen (van 1,4 uur naar 0,7 uur).
Velen van ons klampen zich vast aan de illusie dat nog meer rijkdom ons eindelijk het geluk zal brengen waar we al zolang naar op zoek zijn. We zouden er echter verstandiger aan doen ons te richten op de ongekende mogelijkheden die onze huidige welvaart ons al biedt. De miljoenen mogen dan niet voor het oprapen liggen, voor het geluk geldt dat - als je er maar oog voor hebt - wel degelijk
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.