René van Woudenberg, hoogleraar ken- en zijnsleer, leidt tweewekelijks een oefening in denken.
Kan men zich iets toekomstigs herinneren? Dat lijkt een dwaze vraag. natuurlijk kan dat niet, denken we. We kunnen ons alleen het verleden herinneren. Zo herinner ik me levendig dat ik met een vriend de Dent D'Oche heb beklommen en dat we, toen we op het hoogste punt waren, een indrukwekkend uitzicht hadden op de zonovergoten Mont Blanc. Maar ik herinner me niet dat ik over een jaar met dezelfde vriend opnieuw die berg zal beklimmen. Nee, herinneren kan ik me alleen gebeurtenissen en feiten uit het verleden.
Kan men zich het heden herinneren? Ook dat lijkt een vreemde vraag. Ik zie nu, op dit moment, in het heden, een pc voor me staan. Wat nu voor me staat kan ik zien, maar het zou vreemd, heel vreemd, zijn om te zeggen dat ik me nu, op dit moment, herinner dat mijn pc voor me staat. Nee, wat zich in het heden afspeelt en aan ons voordoet, kunnen we (voor een klein deel, namelijk dat deel dat zich voor onze ogen bevindt) zien, maar we herinneren ons dat deel niet. De herinnering komt pas later, namelijk als dat wat we ooit, in een 'heden', zagen, verleden tijd is geworden. Zomin als we ons de toekomst kunnen herinneren, zomin kunnen we ons het heden herinneren.
Het lijkt zo simpel. Maar is het dat ook? Stel eens dat je voor een geldautomaat staat en je bent je pincode vergeten maar plotseling weet je hem weer, het is 2002. Dan kun je later, als je deze kleine episode aan iemand vertelt, dat doen door te zeggen: ,,Gelukkig herinnerde ik me plotsklaps de code weer'' (ik neem niet aan dat je code ook zult noemen). Maar let nu eens op. Wat je gezegd hebt is dat je je de code herinnerde. Maar dat getal is niet iets uit het verleden, het is je pincode nu, op dit moment. Je herinnert je niet het verleden maar het heden. En zo zeggen we allemaal op gezette tijden dat we ons herinneren wat ons e-mailadres, telefoon- of ander nummer is. En wat ik zeg betreft niet alleen getallen. Stel je eens iemand voor, Viktor, die in geen jaren een landkaart van Oost-Europa heeft gezien en hem wordt gevraagd, bijvoorbeeld in een quiz, wat de hoofdstad van Hongarije is. Hij moet er diep over nadenken maar dan geeft hij toch het goede antwoord: Boedapest. Later verhaalt hij deze kleine episode uit zijn leven aan iemand met de woorden: ,,En toen herinnerde ik me dat Boedapest de hoofdstad van Hongarije is''. Viktor herinnert zich, zo kan men denken, het heden.
En het is nog gekker. Want we zeggen soms ook wel zulke dingen als: ,,Ik herinner me dat het concert komende vrijdag om kwart over acht begint'' en ,,Zij herinnerde zich plots dat Willem niet morgenavond komt maar vanavond''. En dus lijkt het zelfs mogelijk om zich een toekomstige gebeurtenis te herinneren.
Maar is het ook zo? Nee. We kunnen ons de toekomst niet herinneren (of beter: het is uitermate misleidend om te zeggen dat we ons de toekomst kunnen herinneren). Waarom? Hierom. Wanneer jij, zoals je zegt, je 'herinnert' dat het concert komende vrijdag om kwart over acht begint, dan geef je eigenlijk een verkeerde voorstelling van wat het is dat je je herinnert. Strikt genomen herinner je je niet dat het concert dan-en-dan & zo laat zal beginnen, maar dat je ergens hebt gelezen, of van iemand hebt gehoord dat het concert dan-en-dan & zo laat zal beginnen. En dat je dat ergens hebt gelezen, of van iemand gehoord, is een feit uit het verleden. Daarom is wat hier gebeurt toch te beschrijven als het je herinneren van iets -waarbij datgene wat je je herinnert een in het verleden gedane of gelezen mededeling is. Maar, en dat wekt de verwarring op, omdat die mededeling de toekomst betreft, wordt de illusie gewekt dat het mogelijk is de toekomst te herinneren. Maar die mogelijkheid is er niet.
De vermeende gevallen van 'het zich herinneren van het heden' moeten op dezelfde manier benaderd worden. Wat je je herinnert is dat je ooit (je bent misschien vergeten hoe, waar en wanneer, maar dat doet er niet toe), in het verleden, geleerd hebt dat je pincode 2002 is.
En wat Viktor zich herinnert is dat hij ooit (hij is misschien vergeten hoe, waar en wanneer, maar dat doet er niet toe) in het verleden geleerd heeft dat Boedapest de hoofdstad van Hongarije is. Hij herinnert zich niet het heden maar iets dat hij in het verleden heeft geleerd -en wat hij geleerd heeft, is een nog steeds bestaande stand van zaken. Dit wekt de illusie op dat hij zich het heden herinnert.
Hiermee is, meen ik, een klein raadsel opgelost. Althans: bijna, want wie goed leest en nadenkt, zal nog een addertje onder het gras zien. Dus: een klein raadsel is (bijna) opgelost. Maar een ander, groter, raadsel staat nog voor me open, hoewel ik de tanden van mijn denken er al bijna op heb stukgebeten. Wanneer ik een heel duidelijke herinnering heb aan iets, bijvoorbeeld aan mijn tocht naar de top van de Dent D'Oche, dan kan het niet anders of ik geloof ook dat ik die tocht heb gemaakt. Duidelijke herinnering aan X, leidt als vanzelf tot het geloof dat X is gebeurd of heeft plaatsgevonden. Nu kan ik me echter, gedreven door mijn fantasie, van alles voorstellen, bijvoorbeeld dat mijn buurman de Nobelprijs voor de vrede heeft gewonnen, of dat mijn vrouw koningin van Nederland zal worden. Ik kan me dat voorstellen maar ik geloof geen van beide. En dat is voor mij een enorm raadsel: waarom geloof ik wel wat ik me duidelijk herinner maar niet wat ik me al fantaserend kan voorstellen? Immers, het had toch ook zo kunnen zijn dat ik juist veel geloof hechtte aan mijn fantasieën en maar weinig aan mijn herinneringen? Of is dat, anders dan ik suggereer, toch onmogelijk? Of is wat ik een raadsel noem, alleen maar een raadsel voor een doorgedraaide filosoof? Wie het weet mag het zeggen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.