*

 

Storing is winst

Annelies Huygen − 30/01/03, 00:00

Was het toeval? Ik snakte naar koffie, toen ik begon aan deze column over stroomstoringen. Maar helaas, het koffie-apparaat werkte niet. Door een storinkje was er geen stroom in de keuken. Is dat ons voorland, steeds vaker géén elektriciteit? De grote storingen van de laatste tijd doen het ergste vrezen. Investeren de bedrijven nog wel voldoende in de netten?

We weten het niet. De gegevens over het aantal storingen zijn afkomstig van de bedrijven zelf. Deze hebben er geen belang bij om hun falen breed uit te meten.

In een artikel in NRC Handelsblad gaven monteurs van het energiebedrijf Eneco aan dat lang niet alle storingen verwerkt worden in de administratie. Volgens hen wordt er veel te weinig geïnvesteerd in de netten. In paginagrote advertenties ontkende Eneco dat. Staatssecretaris Wijn heeft nu een onderzoek gelast.

Volgens directeur J. Korff van de belangenvereniging van de energiebedrijven, EnergieNed, is het aantal storingen constant gebleven: 15000 per jaar. Maar zulke getallen zeggen weinig, zelfs als de cijfers betrouwbaar zijn. Het is nogal een verschil of de storing grote delen van Amsterdam urenlang plat legt, of dat het alleen gaat om een koffie-apparaat en twee lampen.

Voor we het weten raken we in discussies zoals bij de Nederlandse Spoorwegen, die trots vertellen dat de punctualiteit toenam. Ze zeggen er niet bij dat ze dat bereikten door minder treinen te laten rijden. De klant was slechter af, al die mooie cijfertjes ten spijt.

Dat het niet meer vanzelfsprekend is dat de netten goed worden onderhouden, komt door de liberalisering. Vroeger stelden de bedrijven het algemeen belang centraal. De netten werden perfect onderhouden en de kosten werden doorberekend aan de klanten.

Dit systeem is veranderd. De overheid dacht dat het efficiënter was als de publieke netbedrijven zouden doen alsof ze commercieel waren en winst zouden stellen boven het algemeen belang. Dat heet marktwerking. Alleen is er bij de netten geen markt met concurrentie.

Klanten kunnen niet weglopen naar een ander netbedrijf, ook al is er altijd storing. Een netbedrijf dat winst wil maken, kan daarvan profiteren. Dat poetst zijn resultaten op door te bezuinigen op investeringen.

Om dat te verhinderen stelde de overheid een speciale toezichthouder aan op de energievoorziening, Dte. Deze moet de prijzen en kwaliteit van de netten controleren, een lastige taak. De toezichthouder staat altijd op achterstand, omdat de bedrijven -zelfs al zijn ze in handen van de overheid- de meeste gegevens geheim mogen houden. Bovendien vechten de netbedrijven vrijwel alle beslissingen van Dte aan bij de rechter.

Regelmatig krijgen ze gelijk en dan zijn we weer terug bij af. Dit gedoe kost de burgers handenvol geld. Via de elektriciteitsrekening betalen ze voor alle inspanningen van de publieke netbedrijven en hun peperdure advocaten om te ontkomen aan de toezichthouder, en via de belasting betalen ze de toezichthouder en de betrokken rechters. Niet erg efficiënt allemaal.

Hoe moeten we nu verder? Gealarmeerd door de grote stroomstoringen vraagt het publiek om nog meer toezicht. Dan krijgen we nog meer bureaucratie, nog meer geschuif met papieren en gegoochel met getallen, nog meer advocaten en nog meer processen. Het geld dat daaraan opgaat, wordt niet gestoken in verbetering van de netten.

Misschien kunnen we de netbedrijven weer dichter bij de overheid brengen, zodat ze net als vroeger vooral het algemeen belang nastreven. Veranderingen moeten in ieder geval prudent worden doorgevoerd. Want met andere sectoren, die voorwerp waren van voortdurend overheidsgesleutel, liep het meestal slecht af. Tot nog toe is de betrouwbaarheid van de netten hoger dan die van het treinverkeer. Mogen we dat zo houden?

mailIcon print |