*

 

Nederland is altijd fraudeland geweest

Steven de Foer − 06/03/04, 00:00

De Tweede Kamer debatteert komende week over de vraag of Nederland een fraudeland is geworden. Een rare vraag, aangezien Nederland nooit smetteloos is geweest. Het is wel mooi dat nu kritisch naar de eigen fouten wordt gekeken.

De Tweede Kamer buigt zich binnenkort over de vraag van Jan Marijnissen (SP) of Nederland een fraudeland geworden is. Een 'stroom van incidenten', zegt Marijnissen, lijkt daar wel op te wijzen.

De fraude bij Ahold, de nieuwe onthullingen over bouwfraude, het Nederlandse luik aan de Parmalat-affaire, de torenhoge inrichtingskosten van het hoofdkantoor van uitkeringsinstantie UVW, de aanwijzingen van fiscaal gesjoemel op grote schaal in het bedrijfsleven. Als je het zo op een rijtje ziet, lijkt 'ja' het onvermijdelijke antwoord op Marijnissens vraag. Toch is lang niet iedere Nederlander bereid tot die conclusie. Marijnissen overdrijft, klinkt het: hij maakt een amalgaam van een reeks geïsoleerde incidenten. De struisvogelreflex is hardnekkig.

De fout in de zin 'Nederland is een fraudeland geworden' zit immers niet in het woord 'fraudeland' maar in het woord 'geworden'. Nederland is altijd een fraudeland geweest. Zoals België, Duitsland, Italië, de VS, China en Botswana. Het verschil is gradueel, maar niet fundamenteel. De menselijke aard is niet goed genoeg om bewust nee te zeggen tegen kansen op oneerlijk geldgewin, en geen enkele staat is georganiseerd genoeg om die kansen uit te sluiten.

Wie de wereld een beetje kent, weet dat. De Nederlandse publieke opinie heeft zich echter lang wereldvreemd en zelfingenomen gedragen. Het was met fraude zoals met intolerantie: meewarig berichtten Nederlandse media over andere landen, zich gelukkig prijzend in het smetteloze Nederland te wonen. Dat aureooltje maakte Nederlanders erg onkritisch over het reilen en zeilen in eigen land.

Toen ik dat enkele jaren geleden schreef in mijn boek Onder Hollanders, reageerden sommige Nederlanders bits dat ik beter een boekje opendeed over België, mijn eigen land, een echte schandalenkampioen in vergelijking met Nederland. Maar de Belgen overtuigen van wat fout loopt in hun land, is overbodig. De Belg heeft, na eeuwen buitenlandse bezetting en zwak bestuur, een stevig wantrouwen tegen de overheid. Hij is snel te overtuigen van nieuwe staaltjes van corruptie en fraude. Een beetje al te snel zelfs: dat het proces-Dutroux negen jaar op zich liet wachten, is te danken aan een haast masochistische neiging tot tijdrovende complottheorieën die het verval van het land moeten onderlijnen. In Nederland zou Dutroux binnen het jaar veroordeeld geweest zijn, zodat de burger opnieuw gerust kon slapen.

Om de illusie van zuiverheid te bewaren, zijn Nederlanders traditioneel tot hardnekkig wegkijken bereid. Van de geschiedschrijving over een 'humaan' koloniaal verleden tot de schroom om schuld te bekennen over Srebrenica: Nederland steekt niet graag de hand in eigen boezem. Maar ook nationaal. Toen ik nog in Nederland woonde, lekten onophoudelijk dubieuze toestanden uit. Berichten over vertrouwelijke documenten van Defensie in het bezit van een lobbyist van een buitenlandse helikopterfabrikant, over steekpenningen die KPN Telecom zou hebben betaald voor een aanbesteding in Tsjechië, over Nederland als werkelijke draaischijf van de vetcarrousel in de dioxinecrisis, enzovoort. Er gebeurde zelden iets mee. De media leken er verveeld mee te zitten en onderzoeksjournalistiek werd niet aangemoedigd.

Maar er is iets veranderd. De schandalen rond de bouwfraude, Ahold en Parmalat zijn in wezen niet erger dan die van vijf of tien jaar eerder. Maar sinds Pim Fortuyn is een taboe opgedoekt: ontevredenheid over de staat van de natie is niet langer verboden. Er zijn nu Nederlanders die graag lezen of horen over schandalen. In het beste geval omdat ze hun oogkleppen hebben afgezet en oprecht kritische burgers geworden zijn. In het slechtste geval uit anti-politiek chagrijn, zoals in Vlaanderen.

Klokkenluiders en journalisten die hun tanden zetten in een dossier zijn geen nestbevuilers meer, maar verantwoordelijke burgers of zelfs helden. De oude struisvogelreflex is nog niet helemaal uitgeroeid. Toch zijn dezelfde wantoestanden die vroeger met de mantel der liefde werden bedekt, nu voorpaginanieuws. Zolang dat niet doorschiet naar sensatiezucht, is dat een goede evolutie.

Dus gaat de publieke moraal in Nederland sinds korte tijd de verdoemenis in? Welnee. Misschien is het frauderen wat makkelijker gemaakt door de speelruimte die de markt onder paars heeft gekregen, zoals minister Donner beweert. Maar dan is dat meer een kwestie van meer gelegenheid voor de dief, dan van een plots moreel verval. Zelfs als ook ambtenaren nu met hun vingers in de honingpot blijken te zitten. De veronderstelling dat zoiets vroeger niet gebeurde, is naïef.

Het probleem is niet nieuw. Het is alleen zichtbaar geworden. Het laagje vernis is van de Nederlandse zeden. De Nederlander begint in te zien dat zijn vuilnis niet minder stinkt dan dat van zijn buurman. Mensen zijn zwak en tot oneerlijkheid geneigd, dat is geen cynisme maar realisme. Daar doe je niets aan door te jammeren, maar door beter te controleren.

Dat beseffen kan het begin zijn van een mentaliteitswijziging. De diepgang van het komende debat zal aantonen of een meerderheid in Nederland voor dat besef klaar is, of 'ondanks enkele incidenten' in zijn morele superioriteit blijft geloven.

mailIcon print |