In de brievenrubriek van 3 maart schrijft P. de Jong uit Katwoude, dat begijnen hun sluier afdeden en wensten vrij te zijn van staat, kerk, religie en man. Begijnen vormden een beweging onder vrouwen aan het begin van de twaalfde eeuw, die inderdaad zelfstandig wilden wonen en werken zonder te trouwen of in een klooster in te treden. In die tijd was er geen andere manier om fatsoenlijk zelfstandig te kunnen leven.
Godvruchtige vrouwen gingen in eenvoudige huisjes in groepjes bij elkaar wonen aan de rand van de steden en voorzagen in hun eigen levensonderhoud en geestelijk dagritme. Ze leefden arm, godvruchtig en ongehuwd en waren meer dan gemiddeld geschoold en belezen. Ze werkten in wolspinnerijen, kaarsenmakerijen, lakenweverijen, ziekenzorg en waren soms een bedreiging voor de bestaande stadsgilden.
Tegen het einde van de dertiende eeuw werd door de rk-hiƫrarchie over hun kapel een priester aangesteld. In 1311 werden begijnhoven door de paus verboden.
Deze vrouwen beleefden een intense, radicale mystiek, die gepaard ging met een hartstochtelijk armoede-ideaal. Begijnen werden waarschijnlijk genoemd naar de ongeverfde wollen mantels die ze droegen: Bagijn = beige. Deze naam is nog te zien boven de ingang van het begijnhof aan het Spui te Amsterdam. Ook droegen zij een sluier wat te zien is op oude foto's en het beeld van Hans Bayens in het begijnhof aan de Catharinastraat in Breda.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.