*

 

Invallend duister als reddend licht

Yoram Stein − 16/09/04, 00:00

Is het conservatisme voor of tegen Verlichting? In een serie probeert Trouw licht te werpen op iets wat in actuele debatten volop in de belangstelling staat, maar duisterder is dan de naam doet vermoeden. Vandaag het laatste deel: over de Verlichting die door rechts gestolen is.

De Verlichting was altijd iets voor linkse mensen die zich achter de leus vrijheid, gelijkheid en broederschap schaarden. Progressief en vooruitstrevend was je -de woorden zeggen het al- als je geloofde in de zegeningen van de Vooruitgang. De voortschrijdende wetenschap zou de mensheid bevrijden uit haar ketenen van onwetendheid en bijgeloof. Onder het licht van de rede zou een toekomstig rijk zichtbaar worden waarin tegenstellingen tussen zwart en wit, christen en heiden, arm en rijk zouden wegsmelten als sneeuw onder de zon. In de nieuwe wereld zouden alle mensen broeders en zusters van elkaar zijn. Eén mensheid zou ontstaan, verenigd in hun geloof in wetenschap, universele mensenrechten en eeuwige vrede.

Conservatieven beschouwden de Vooruitgang daarentegen als een zich voortzettende catastrofe. Edmund Burke (1729-1797), de geestelijk vader van het conservatisme, verzette zich tegen de gedachte dat de traditie bestond uit achterlijke vooroordelen die nog aan de rede getoetst moesten worden. Hij schreef dat het een vergissing was om ,,mensen ieder voor zich te laten leven en handelen met hun eigen hoeveelheid verstand; omdat wij vermoeden dat deze hoeveelheid in ieder mens gering is en de enkeling er beter aan toe is als hij gebruikmaakt van het algemene banksaldo van volken en van eeuwen''.

Een conservatief als Alexis de Tocqueville (1805-1859) zocht naar een manier om verantwoordelijk met de nieuwgewonnen vrijheid en gelijkheid om te gaan. Hij waarschuwde dat vrijheid niet zonder godsdienst kan, omdat mensen anders niet boven directe aardse verlangens uit kunnen stijgen. En hij vreesde de maatschappij waarin mensen zich alleen met hun eigen leven bezighouden en de zorg voor het algemene belang overlaten aan professionele politici. ,,Ik zie een onafzienbare massa identieke en gelijke mensen wier bestaan onafgebroken draait om zich kleine en vulgaire pleziertjes te verschaffen. Boven allen uit torent een gigantische bevoogdende macht, die de exclusieve zorg voor de genietingen van de massa naar zich toegetrokken heeft en zich over haar welbevinden heeft ontfermd. Zij is absoluut, nauwgezet, vooruitziend en zacht. Wat belet haar dan hen de moeite van het denken en de zorg van het leven zelf uit handen te nemen?''

En een reactionair, zoals de katholiek Joseph de Maistre (1753-1821), wees erop dat de mens alleen door te lijden gelouterd wordt. Het streven de maatschappij te verbeteren was zinloos volgens hem, omdat de mens tot op het bot verdorven is. ,,Zijn grootsheid vernedert hem; want het licht dat hem verheft naar de engel dient enkel om hem te confronteren met de neigingen die hem neerdrukken in de staat van het beest. Hij zoekt in het diepst van zichzelf een gezond deel, maar kan het niet vinden: het kwaad heeft alles bevuild, en heel de mens is niets dan ziekte.''

Maar de progressieven trokken zich hier weinig van aan. Zij wisten dat de mensheid naar een universele bestemming op weg was: een wereld zonder oorlog, onderdrukking en armoede, vol vrijheid, gelijkheid en gelukzaligheid. Dit optimisme deelden socialisten en liberalen. De conservatieven bevonden zich duidelijk in het andere, pessimistischer kamp.

Met een metafoor beschrijft rechtsfilosoof Andreas Kinneging de verschillen tussen socialisme, liberalisme en conservatisme: ,,Voor socialisten stonden Verlichting en Revolutie gelijk aan het ochtendgloren van de aanbrekende dag, voor liberalen aan het doorbreken van de middagzon, en voor conservatieven aan het invallen van de duisternis.''

Maar deze situatie is volkomen veranderd. De socialisten zijn hun optimistische geloof in Vooruitgang en Revolutie kwijt. Revolutie leidt tot niets, zeggen ze nu. Ze willen de verzorgingsstaat behouden, zeker niet omver werpen. Liberalen, zoals Bolkestein, hebben ondertussen last gekregen van typisch conservatieve zorgen, zoals het verval van moraal en rechtsstaat en het verdwijnen van religie als bezielend verband. De (neo)conservatieven zijn tenslotte volgelingen van Voltaire geworden. De islam heeft volgens hen kritiek van de rede nodig, als de islamitische wereld niet wil blijven hangen in despotisme, armoede, ressentiment en terreur. De neocons prijzen de 'invallende duisternis' als reddend licht, en zien de Verlichting waar zij vroeger tegen streden, nu als medicijn tegen achterlijkheid.

Deze grote verschuiving kwam op gang na de holocaust en het falen van het communisme. Toen verloren marxisten hun vertrouwen in Verlichting en Vooruitgang. Er wás geen vooruitgang. De geschiedenis diende, anders dan Marx gesteld had, geen enkel doel. Verlichting was iets waar je in moest geloven, net als God, en daarom was de Verlichting even duister als de oude godsdienst. Bovendien was het instrumentele denken van de Verlichting volgens Adorno en Horkheimer immoreel. Het had rechtstreeks tot fascisme en nationaal-socialisme geleid. Verlichting en holocaust waren twee kanten van dezelfde medaille: Auschwitz was een fabriek, waar de dood even efficiënt geproduceerd werd, als in andere fabrieken ijzer en staal. Volgens de kritische theorie van hun Frankfurter Schule was er een totaal gebrek aan goedheid in de kapitalistische wereld. Dit gebrek moesten mensen onder ogen zien zonder enige hoop op Vooruitgang of Revolutie. Alleen zo zou een zuiver beeld van het goede oprijzen, als iets wat altijd afwezig is.

Daarop werd door andere postmarxisten het einde van de Grote Verhalen afgekondigd. Er waren geen universele waarden. Er was geen bovenhistorisch en bovencultureel punt vanwaar de rede alles objectief in ogenschouw kon nemen. Er waren slechts verschillende mensen met verschillende verhalen. De gedachte dat er een standaard van goed en kwaad is waar ieder mens aan gehouden moet worden, werd verketterd. Het enige kwaad dat overbleef waren de mensen die nog durfden te spreken in termen van goed en kwaad. Het linkse ideaal om de armen en de onderdrukten te emanciperen, verdween uit het zicht. Het was niet mogelijk om je te ontwikkelen, want er was geen vooruit- of achteruitgang, geen hoger of lager, geen beter of slechter. Iedere mening en iedere cultuur was evenveel waard.

Ten gevolge van deze ontwikkeling lijkt de wereld nu op zijn kop te staan. Terwijl de (neo)conservatieven vrijheid, universele mensenrechten en democratie prediken, demonstreren de progressieven tegen plannen om de wereld van bloedige dictators te ontdoen. Waar rechts gelooft dat oude instituties op de schop moeten, verzet links zich tegen de gedachte dat de maatschappij maakbaar zou zijn. O, paradoxale tijd. De mensen die alles bij het oude willen houden, heten progressief, terwijl degenen die streven naar een revolutie conservatieven heten. Volgens filosoof Paul Cliteur streven (neo)conservatieven naar een revolutie, terwijl progressieven antirevolutionair zijn geworden. Dat komt volgens hem omdat de protestgeneratie van de jaren zestig aan de macht is gekomen en nog steeds op het pluche zit. De rebellen van toen zijn oververtegenwoordigd in de politiek, bij justitie, in de journalistiek en op de scholen en de universiteiten. Deze babyboomers hebben, zo schrijft Cliteur, ,,alles te winnen, ziehier de paradox, bij het procedureel conservatisme van Burke: zachtjesaan, geen revolutionaire wisseling van de macht, geen agressieve toon tegenover de status-quo van het moment''.

Burke vond dat het conservatisme in het licht van veranderende omstandigheden steeds opnieuw beoordeeld moet worden. De Verlichting die eens een revolutie in het denken was, behoort volgens de conservatieven van nu inmiddels tot ons cultureel erfgoed dat overgedragen en verdedigd moet worden. Het verschijnen van nog gevaarlijker politiek-filosofische stromingen, zoals het marxisme, het fascisme en het islamisme, heeft ervoor gezorgd dat conservatieven democratie en vrije markt zijn gaan omhelzen als bronnen van stabiliteit en orde. De revolutie van de jaren zestig heeft de wereld in conservatieve ogen bovendien op zijn kop gezet, waardoor een revolutie nodig is om alles weer recht te zetten. Het is vooral in het licht van deze zaken dat het conservatisme nu een progressieve stroming kan zijn.

mailIcon print |