*

 

Kabinet maakt zelfde fouten als Colijn

Ad Kolnaar − 10/04/04, 00:00

Het huidige monetaire beleid vertoont opvallende gelijkenis met dat van Colijn. Foute morele argumenten worden gebruikt in plaats van economische waarheden. Nederland laat zich weer willoos in de hoek drukken waar de klappen vallen.

Tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig woedde er een heftige strijd onder politici en economen. Inzet waren de gouden standaard en het bezuinigingsbeleid. Ons land bleef zich uiteindelijk het langst vastklampen aan die standaard en aan pogingen het overheidstekort op nul te krijgen.

Herman Langeveld beschrijft deze geschiedenis haarfijn in het tweede deel van zijn biografie over de ARP-staatsman en toenmalige premier Colijn. De gouden standaard beoogde de wisselkoersen van de aangesloten landen te stabiliseren. Hun centrale banken waren steeds bereid de valuta in te wisselen tegen een constante hoeveelheid goud. Vaste wisselkoersen zijn gunstig voor exporteurs. Zij lopen zo geen koersrisico, wat de bedrijvigheid ten goede komt. Daarom gingen wij in de EMU op één munt over.

De landen lieten in de jaren dertig de goudstandaard echter los. Via lagere muntwaarden maakten zij hun producten goedkoper. Omdat wij niet meededen werden wij duurder, verslechterde onze concurrentiepositie en zakte de economie verder in. Het neerwaartse proces werd versterkt door de bezuinigingen. Op den duur vertrouwde niemand onze munt nog. De goudvoorraad raakte op door de vlucht uit de gulden. Toen moest Colijn alsnog door de knieën.

Volgens Langeveld heeft Colijn's beleid niets opgeleverd. Het veroorzaakte juist vele duizenden extra werklozen en verergerde de recessie. Ik kan dit oordeel onderschrijven. Ik wil er dan wél op wijzen dat, omdat anderen het ideaal van de vaste wisselkoers opgaven en meer gingen zien in protectie, er voor één klein land langs de oude weg geen houden aan was. Dat is wat Colijn niet wou inzien.

Ook stapt Langeveld te gemakkelijk heen over het argument van Colijn en vooral Trip, de toenmalige president van de Nederlandsche Bank, vóór het gevoerde beleid. Door lagere vreemde valutakoersen dalen onze importen uit die landen in prijs en daarmee de grondstoffen. Dan gaan ook hier de prijzen omlaag. Uiteindelijk verandert zo'n koerswijziging zelfs niets aan de internationale prijsverhouding, de concurrentiepositie, en is van een blijvende invloed op volumeafzet en werkgelegenheid geen sprake.

Op zich is deze visie van Trip en Colijn juist. Maar de aanpassing van ons prijsniveau aan een devaluerend buitenland kost tijd. Intussen doen zich de nadelige effecten op de afzet en de werkgelegenheid wél gevoelen. Een extra complicatie vormde de niet aflatende stróóm koersveranderingen. De koersen van de handelspartners zweefden. Zo holde ons niet met koerscorrecties reagerende land voortdurend achter de feiten aan. De aangegeven neutraliteit van geld en wisselkoersen op de lange termijn voor de volumeafzet en werkgelegenheid wordt pas achteraf gerealiseerd als de wisselkoersen zich weer hebben gestabiliseerd. Ons land nam door vast te houden aan de gouden standaard te veel tijd voor de aanpassingen. En deed zichzelf daarmee de das om.

Een vraag is of de zaken nu, driekwart eeuw later veel anders verlopen. Ook nu is sprake van een economische teruggang, in West-Europa en vooral in ons land. De waarde van de euro is daarbij sterk gestegen ten opzichte van de dollar. Deze stijging is zelfs in ongeveer gelijke mate debet aan de verslechtering van onze industriële concurrentiepositie als die van de loonkosten! Voorts wordt wederom hardnekkig getracht de gevolgen van de neergang voor de overheidsfinanciën (minder belastinginkomsten) op te vangen door steeds meer te bezuinigen op de uitgaven.

Natuurlijk, niet de Nederlandsche Bank maar de Europese Centrale Bank waakt thans over onze munt. Maar die Europese bank laat wel met evenveel lankmoedigheid de te dure euro over ons heen komen. De rente wordt halsstarrig hoger geprikt dan de Amerikaanse. De monetaire technieken en instituties van nu zijn anders, de resultaten van het beleid hetzelfde.

Net als toen blijven liberalen en bankdirecteuren maar hameren op het mooie van een harde munt. Zeker, ze tempert de inflatie. Maar wederom verandert de wisselkoers voortdurend in waarde. Nu, tijdens de laagconjunctuur is de dollar goedkoop. Dat is slecht voor ons en goed voor de Amerikanen. Tijdens de hausse der jaren negentig was zij duur, met hetzelfde gevolg. Het externe monetaire beleid is dus als in de dagen van Colijn voor stevige kritiek vatbaar.

Roep nu niet dat Europa niet in staat is de koers te stabiliseren. Het kleine Nederland wist vroeger de gulden moeiteloos te koppelen aan de Duitse Mark. Roep ook niet dat stabiele koersen niet nastrevenswaard zijn. De EMU is intern het summum van vaste koersen: één munt. Waar het om gaat is dat je je niet willoos in de hoek moet laten drukken waar de klappen vallen.

Dezelfde liberale politici en bankdirecteuren blijven daarnaast als toen allerlei goeds toedichten aan een budgetoverschot. Dat wordt aangeduid met 'gezond' terwijl de feitelijke staatsfinanciën moeten worden 'gesaneerd', lees de tekorten weggewerkt. Opnieuw kost dit extra werkgelegenheid en raakt het economisch herstel in Europa achterop. Opnieuw moet bij die bezuinigingen de sociale zekerheid het ontgelden, zoals Colijn de uitkeringen verlaagde.

Thans komt de Belgische premier Verhofstadt ons met cijfers in de hand vertellen hoe goed lastenverlichting is naast een gematigde loonontwikkeling. Hoewel wij zelf in de jaren negentig het heilzame van zo'n beleid aan de wereld diets maakten, vertikken we nu dat ten uitvoer te leggen.

Er is dus nog een opmerkelijke overeenkomst. Het waren destijds niet zakelijke, economische argumenten die de doorslag gaven. Integendeel, er werd een beroep gedaan op emoties, morele stellingen werden betrokken, dogma's verkondigd. 'Experimenten met de gulden' zouden het vertrouwen van 'het Nederlandsche volk ook op andere terreinen ondermijnen'! De critici van Colijn werden weggezet als 'onvaderlandslievend', hun aanvallen op het regeringsbeleid gekenschetst als 'onzedig'. 'Krachtdadig' en 'vastberaden' waren de onder politici geliefde typeringen van hún optreden.

Ook nu is de discussie doortrokken van dogma's en morele standjes. Links krijgt de schuld van alles en Keynes is een aftandse kletskous. Ik ben geen Keynesiaan, maar de man heeft écht een logisch consistente en onder omstandigheden actuele theorie ontwikkeld. Toch eist het moderne bijgeloof van de overheid een structureel financieringsoverschot. Dat zou zorgen voor een sterke munt (wat niet zo is), maar waar dat dan weer goed voor is, blijft duister: zie boven.

Ter staving van de bezuinigingen wordt de mythe van de goede huisvader er bij gehaald. Die brave burger hoort bij zijn verscheiden toch geen schuld aan zijn nageslacht na te laten? Dan de overheid ook niet! Dat de overheid niet overlijdt maar als het even kan blijft bestaan tot de dag des oordeels, wordt vergeten. De vergelijking gaat volledig mank. Het is een misplaatste poging een micro-economische ingang te zoeken voor een macro-economisch probleem. Natuurlijk moet de overheid efficiënt en verantwoord met het belastinggeld omspringen. Maar er bestaat geen moreel argument pro een tekort of overschot.

Het debat over waarden en normen mag niet ontaarden in het maar ontkennen of negeren van economische waarheden. De overheid moet voldoen aan de sociaal-economische doelstellingen, dus duurzame productiegroei, hoge arbeidsparticipatie en redelijke inkomensverdeling. Het monetaire en budgettaire beleid dient in dat teken te staan: de economische wetenschap is er om daartoe de beleidsnormen en -aanbevelingen te leveren. Het gaat niet aan omdat een harde munt zo trots maakt en de brave huisvader het zo goed doet, vele extra werklozen te accepteren. Dat is economische normvervaging. Als in Colijn's dagen worden foute morele argumenten aangevoerd om economische waarheden als een koe te ontlopen. We hebben nog niet veel geleerd van die geschiedenis.

mailIcon print |