*

 

Groot Gelijk

door Piet de Rooy − 14/02/04, 00:00

Drie auteurs hebben hun eenzame gelijk in de politiek bevochten met een pamflet getiteld 'Aan het Volk van Nederland': Joan Derk, baron Van der Capellen tot den Pol in de 18de eeuw, Multatuli in de 19de eeuw en Pim Fortuyn in de 20ste eeuw. Volgens historicus Piet de Rooy mocht geen van deze drie proeven van de vreugde van dat gelijk. 'Maar opmerkelijk is wel dat zij na hun dood op hoofdlijnen het gelijk kregen waarvoor zij tijdens hun leven zo hardhandig én zo onhandig gestreden hadden.'

In de strijd die publieke intellectuelen voortdurend hebben te voeren tussen gelijk hebben en gelijk krijgen staat de welsprekende Demosthenes (384-322 v.Chr.) hoog aangeschreven, al was het maar omdat hij volgens de overlevering zijn stem krachtiger maakte door kiezels in zijn mond te nemen en vervolgens zijn stem op het strand te meten aan de donderende golven. Dit alles om zo effectief mogelijk zijn medeburgers te kunnen overtuigen van zijn mening, namelijk dat de Atheense vrijheid bedreigd werd door het Macedonische imperialisme. Toch wil ik zijn belangrijkste tegenstander, Phokion (402-318 v. Chr.), hoger stellen, vooral omdat hij zelden de moeite nam om zijn medeburgers met enig oratorisch geweld zijn gelijk op te dringen. Zijn faam berustte er zelfs op dat hij nooit iets deed of zei om instemming te verwerven. In de korte biografie die Plutarchus aan hem wijdde wordt de volgende kenmerkende anekdote verhaald. Toen in de volksvergadering eens een orakelspreuk uit Delphi werd voorgelezen, waarin aangeraden werd om de man te zoeken die als enige afweek van het algemene oordeel, stapte hij naar voren en verzocht niet verder te zoeken aangezien hij onmiskenbaar de enige was die het altijd met iedereen oneens was. Deze karaktertrek was zelfs zo sterk dat, toen hij na een redevoering eens grote bijval van het volk had ontvangen, hij zich peinzend tot zijn vrienden wendde en hen vroeg of hij het wel bij het rechte eind had gehad. En daarmee zijn we bij ons thema beland: het eenzame gelijk in de politiek. Om dit rijke thema enigszins in te perken wil ik nader ingaan op drie auteurs die een pamflet hebben geschreven getiteld 'Aan het Volk van Nederland', respectievelijk in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw.

De auteur van het eerste pamflet is lang onbekend gebleven. In de nacht van 25 op 26 september 1781 was het op verschillende plaatsen in Nederland neergelegd vanuit geblindeerde koetsen. Het geschrift was anoniem en dat was verstandig ook, want het werd door de autoriteiten zo schandelijk gevonden dat vrijwel meteen een flinke prijs werd gesteld op het hoofd van de schrijver. Maar het was ook een opwindend geschrift, waarvan nog datzelfde jaar vier drukken verschenen. De vraag was echter zo groot dat zich hier en daar zelfs gezelschappen vormden die het bijna honderd pagina's tellende boekje met de hand overschreven. Het was niet alleen pittig geschreven, maar het gaf een verklaring voor al de rampen en tegenslagen die over de Republiek waren gekomen. Kort samengevat was de situatie immers als volgt: de politieke toestand was hopeloos, de economie was in het slop beland en alom manifesteerde zich een morele verdorvenheid. Bovendien had een al te grote waardering voor de opstand van de Britse koloniën in Amerika een snel groeiend conflict met Engeland opgeleverd. Dat leidde in 1780 zelfs tot oorlog met onze overburen en die oorlog verliep al meteen rampzalig: de oorlogsvloot werd verpletterd, overzeese bezittingen gingen verloren en de koloniale handel leed een gigantische schade.

Welnu, het anonieme pamflet wist voor al deze tegenslagen 'één enkele, plausibele verklaring' te geven en die heette Willem V. Deze stadhouder had het land in machteloosheid gestort, zo hij de Republiek niet regelrecht verraden had. En op klassieke wijze werd vervolgens een beeld geschetst van een man die vrijwel dagelijks dronken in het publiek verscheen, zich op Het Loo aan zomervermaken overgaf die kiesheidshalve niet nader werden aangeduid en die weinig rekening hield met wat normale burgers onder de huwelijksband verstonden. Niet alleen deugde deze Oranje niet, sterker nog, hij deugde niet omdát hij een Oranje was! In een uitvoerig overzicht van de vaderlandse geschiedenis, vanaf het vrije volk der Batavieren, werd ons het machtsmisbruik van deze familie in schrille kleuren geschetst. De eerste, Willem van Oranje, was de enige die er nog een beetje mee doorkon, maar eigenlijk alleen omdat die vermoord werd voordat hij zijn plannen had kunnen volvoeren om de traditionele vrijheden van de steden en burgers te beknotten en alle macht aan zich te trekken. Het was, kortom, wat je een sexed up-versie van de staatsgezinde historiografie zou kunnen noemen.

Daar tegenover werd in het pamflet een lichtend tegenbeeld geschetst in de figuur van een nobele baron in Overijssel, de heer Van der Capellen. Die had zich al jarenlang verzet tegen de stadhouder, bij voorbeeld door de weigering om in te stemmen met het stadhouderlijk verzoek om de in de Nederlanden verblijvende troepen van de Schotse Brigade aan Engeland ter beschikking te stellen voor de strijd in Amerika. Dat verzet was dermate opzienbarend geweest dat diens toespraak hierover niet in de notulen van de Staten van Overijssel opgenomen was, maar opgeborgen werd in de zogenaamde 'Secrete Capse', de doofpot.

Hierna had die baron het opgenomen voor de eenvoudige lieden in het Overijsselse, die door een aantal drosten gedwongen werden om herendiensten te verrichten. Zijns inziens was hier sprake van puur machtsmisbruik, aangezien deze variant van slavernij reeds vele jaren geleden was afgeschaft en afgekocht. Tussendoor had hij zich ook tegen de slavernij in de koloniën gekeerd, en vooral tegen de gewoonte van de stadhouder om op cruciale plekken zijn marionetten te benoemen, wat in strijd was met vastgelegde rechten. De nobele baron had zich dus gekeerd tegen de monarchale ontwikkelingen in het stadhouderschap als de bron van corruptie in de goede Republiek. Later zou blijken dat de anonieme auteur van het pamflet 'Aan het Volk van Nederland' het hiermee over zichzelf had.

Het ging om Joan Derk, baron Van der Capellen tot den Pol (1741-1784), die zich in eigen kring in snel tempo onmogelijk had weten te maken. Nadat hij zijn plaats in de Ridderschap in Overijssel slechts met medewerking van de stadhouder had weten te verwerven, ging het al snel mis. Hij zei voortdurend de verkeerde dingen en deed dat bovendien op zo'n manier dat zijn mederegenten een rood waas voor ogen kregen als ze hem hoorden. Toen Van der Capellen in 1878 zijn aanval op de drostediensten inzette - en, om de doofpot te voorkomen, zijn toespraak tevoren had laten drukken en verspreiden - hadden zijn medeleden in de ridderschap er helemaal genoeg van. Zij lieten hem uit de statenvergadering verwijderen wegens zijn 'taxatoire en ongemesureerde expressiën, en het doen drukken en divulgeren van dezelve'. Daarmee begon voor Van der Capellen een langdurig gevecht om weer toegelaten te worden. Daarbij zou het niet geholpen hebben als hij het pamflet onder eigen naam had verspreid. Ondanks verdenkingen bleef zijn geheim bewaard en kon hij een jaar na verschijning weer terugkeren in de statenvergadering. Niet veel later overleed hij, na een moeizaam leven, vol teleurstellingen en tegenslagen, daarbij bovendien voortdurend geplaagd door fysiek malheur. Hoe omstreden hij was blijkt wel uit het feit dat zijn graftombe een paar jaar na zijn bijzetting werd opgeblazen.

Omstreden is Van der Capellen vervolgens gebleven. Het debat ging vooral over de vraag of hij een democratische idealist was, dan wel een geboren regent die eigen belangen nastreefde met populistische tactieken. Zijn biograaf M. de Jong, die in 1921 zijn dissertatie over Van der Capellen verdedigde, worstelde hier ernstig mee en kwam er slechts uit door met enige regelmaat naar voren te brengen dat de ziel van Van der Capellen 'een slagveld' was tussen hoog democratisch idealisme en laag conservatief eigenbelang. Het aardige echter is dat er bij de baron van een dergelijk slagveld nu juist niet veel te merken was. Opvallend is, integendeel, dat Van der Capellen over een groot vermogen beschikte om persoonlijk belang en nationaal belang in elkaars verlengde te leggen, zo niet overtuigend naar voren te brengen dat deze twee eigenlijk samenvielen. Het is juist deze symbiose die hem noodzaakte bovenal te strijden voor openbaarheid, of, zoals hij eens zei: 'in eene vrije republiek [behoren] de gemoederen en de tongen vrij te zijn'. Daarmee voegde hij zich in een lange traditie van klassiek republikanisme, met die kenmerkende manicheïstische voorstelling van de politiek als een worsteling tussen een corrupte oligarchie enerzijds en de eenzame buitenstaander anderzijds, die zichzelf rein had weten te houden door het ambt niet uit bezoedelde handen te willen ontvangen, noch ten eigen voordele zelfs maar te zoeken. Er was geen sprake van een tegenstelling tussen algemeen en eigen belang, hier was slechts één groot gelijk aan de orde.

Van der Capellen zou later wel geschetst worden als een soort Johannes de Doper, die de komst van een nog groter vertegenwoordiger van het eenzame gelijk aankondigde. Daarmee doel ik op Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli (1820-1887). Ook het echtpaar Wertheim, dat in 1966 een herdruk bezorgde van 'Aan het Volk van Nederland', merkte op dat Van der Capellen als een soort 18de-eeuwse Multatuli te zien was, maar dat gebeurde wel schoorvoetend. De Wertheims zagen immers Van der Capellen als een ideaaltypische democraat, terwijl zij in Douwes Dekker veel meer een wat wonderlijke fantast zagen. En dat is niet zo vreemd, want wat te denken van een man die in de jaren zestig van de 19de eeuw bezig was met het rekruteren van een aantal jonge dames voor een legioen, waarmee hij Nederlands-Indië zou bevrijden van het Hollandse Regime en zichzelf zou kronen als keizer van Insulinde? Zijn nichtje Sietske Abrahamsz was in afwachting van meer en hoger voorlopig al benoemd tot Hertogin van Sumatra. Dit meisjeslegioen moest de kern worden van een politieke partij die hij aan het oprichten was. Dat laat overigens meer zien dat Multatuli op eigenzinnige wijze de vrouwenemancipatie was toegedaan, dan dat hij zich nu werkelijk inliet met de ambachtelijke kanten van de politiek. In juni 1862 stelde hij zich wel kandidaat voor de Tweede Kamer in het district Amsterdam en schreef daartoe in vliegende vaart zelfs een brief aan de kiezers, getiteld 'Aan het Volk van Nederland'. Helaas bereikte de brief de kiezers pas na de verkiezingen, zodat het een beetje als mosterd na de maaltijd terecht kwam in zijn Idee 290. Maar de vraag is of het veel had uitgemaakt als zijn brief wel op tijd was geweest. Het was een hoogst eigenzinnig geschrift, ongeveer vier pagina's in druk, waarin de ene apodictische bewering op de andere was gestapeld: 'Onze Tweede Kamer is een verrot lichaam.' 'Ik ben geen aanhanger van den Heer Thorbecke. Ik hang niemand aan - ik verlang dat men my aanhange...'. 'Men kent myn tuchteloosheid. Ik heb geen program.' De lezers van zijn Ideeën riep hij toe: 'Op...op...helpt my, helpt uzelven, helpt Insulinde, helpt Nederland.' Ook hier dus die vaste overtuiging, die we al bij Van der Capellen hebben gezien, dat de belangen van auteur en publiek, van politicus en volk, elkaar overdekken. Voor Multatuli was er maar één belang, of dat nu aangeduid werd als Douwes Dekker, Max Havelaar, Nederland of Insulinde. En dat belang draaide om 'waarheid', als tegendeel van de 'verrotting' van de politiek. En vanuit dit republikeinse instinct zou hij in toenemende mate Thorbecke persoonlijk de gesignaleerde corruptie van het publieke domein gaan aanrekenen. Dat was immers de man die met zijn liberale constitutie 'modern partygeknoei' in het leven had geroepen en een kieswet had gemaakt die het, zoals hij ergens zei, zelfs Jezus onmogelijk zou hebben gemaakt om in Nazareth verkozen te worden. Multatuli zou Thorbecke ook na diens overlijden in 1872 nog niet met rust laten en rijmelde maar liefst honderdzeven grafschriftjes in elkaar, die geen van allen getuigden van enige waardering voor de grondlegger van onze parlementaire democratie.

Douwes Dekker vertoonde niet alleen alle kenmerken van de republikeinse waakzaamheid, maar was ook een goed voorbeeld van die kenmerkende zelfstilering als de eenzame held die als enige doorhad dat de keizer geen kleren aanhad. In zijn brief 'Aan het Volk van Nederland' schreef hij te beseffen dat hij, zo hij gekozen werd, eenzaam zou zijn in de Tweede Kamer: 'Maar Kiezers, één moet de eerste zyn, één die 't luide verkondigt hoe Nederland genezen wil van de rottende ziekte, die sedert jaren kankert aan zyn nationale eer.' En hoe onaangenaam het ook was en hoe hij ook te zorgen had voor vrouw en kinderen, hij was bereid zich op te offeren voor deze onaangename plicht. Des te meer valt het te betreuren dat zo weinig mensen zijn grootmoedig aanbod wensten te aanvaarden; zijn naam kwam zelfs in de verslagen over de verkiezingen niet voor.

Dat is bij de derde schrijver en politicus die onze aandacht vraagt heel anders gelopen. Het gaat hier om Pim Fortuyn (1948-2002), die in maart 2002 bij de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam 34,7 procent van de stemmen won en na zijn dood 17 procent van het electoraat bij de kamerverkiezingen van 15 mei, waardoor de Lijst Pim Fortuyn met 26 afgevaardigden de Tweede Kamer kon betreden. Had Multatuli nog wel eens gedroomd van een Derde Partij, naast liberalen en conservatieven, Fortuyn was er in geslaagd in één klap de tweede partij van het land te vestigen. In zo'n niet-revolutionair land als Nederland was dit een revolutie, die overigens, zoals vorige revoluties, ook weer betrekkelijk snel voorbij was om desondanks langdurige effecten te hebben. Het was in ieder geval een wonderlijke revolutie, al was het maar omdat hij al zo lang tevoren was aangekondigd. Zoals de uil van Athene in de schemering uitvliegt, zo valt achteraf gemakkelijk te zien dat de ongemeen snelle ontzuiling in de jaren zestig niet alleen de persoonlijke autonomie belangrijk heeft doen toenemen, maar ook het veld van de politieke verwarring wijd heeft opengelegd.

Een enkele ziener niet te na gesproken is het wellicht rechtvaardig om de dichter en cultuurhistoricus J.W. Oerlemans te noemen als eerste die zich als een Cassandra verhief. In 1990 schreef hij een stuk in NRC Handelsblad, onder de kop 'Eenpartijstaat Nederland', waarin hij betoogde dat er 'iets fundamenteels mis [was] met onze zelfvoldane parlementaire democratie'. De kern van zijn kritiek was dat iedere ideologie vervaagd was en daarmee zelfs de mogelijkheid van een zinvol debat over een 'duidelijke waardenhiërarchie'. Iedereen was het met elkaar eens en dat betekende dat het zinloos was om nog lid te worden van een politieke partij. Het gevolg was dat het aantal leden van politieke partijen bij elkaar genomen inmiddels nog maar net voldoende was om alle politieke functies te bezetten. Politici, kortom, werden nog slechts voortgedreven door ijdelheid of eigenbelang.

Daarmee vormde Oerlemans de verbinding tussen de aanvallen op de 'regenten' zoals die in de jaren zestig waren gelanceerd en nieuwe aanvallen die in de jaren negentig op de elite zouden losbarsten. Zoals Harry Mulisch in 1966 gewezen had op de 'calvinistische Regenten' die al sinds de 17de eeuw de baantjes onderling verdeelden, zo viel de politicoloog Hans Daudt hem drie decennia later bij met zijn opmerking dat politiek verworden was tot 'systematisch kiezersbedrog'. De parlementaire democratie functioneerde volgens hem nog slechts als de nauwelijks versluierende ideologie 'voor een regentensysteem dat doet denken aan de Republiek sinds de 17de eeuw'. Hier kraaide de haan van de nieuwe republikeinse waakzaamheid voor de derde keer.

De kern van de boodschap van Fortuyn was al te ontwaren in een bundel uit 1987, 'Socialisten in no-nonsense tijd', waarin hij betoogde dat er sprake is van een 'ware legitimiteitscrisis' in de staat, die zich alom manifesteerde in een 'steeds verder gaande normvervaging' die in de hand werd gewerkt door de 'zogenaamde old boys networks, met name in het CDA'. De sociaal-democratie werd nog slechts verweten te veel aan het oude te hangen en te weinig naar het nieuwe te reiken. Maar dat zou veranderen. Na een aantal teleurstellende contacten met de top van de PvdA zou hij deze partij in 1988 verlaten, aangezien deze hem ieder succes misgunde: het was naar zijn zeggen de partij van de 'geniepige, maar keiharde broodroof'. Ook hier valt op te merken hoe de nationale zaak en het eigenbelang geacht worden samen te vallen.

In snel tempo ging hij zich vervolgens presenteren als de buitenstaander die het openbaar bestuur moest bevrijden uit de houdgreep van 'ons soort mensen', dat conglomeraat van verpolitiekte bureaucraten en verambtelijkte politici, waartegen Van der Capellen twee eeuwen tevoren ook al ten strijde was getrokken. Aan deze 'zwaarmoedige man en moedig heer' droeg hij in 1992 dan ook het boek op dat zijn doorbraak naar het circuit van columns en lezingen zou inluiden: 'Aan het volk van Nederland'. Het was een in alle opzichten interessant boek, ook al buitelden rijp en groen nogal door elkaar heen. Maar dat was bij Van der Capellen eveneens het geval geweest. En Fortuyn was in ieder geval aanzienlijk beter in het organiseren van draagvlak en steun dan Douwes Dekker: het meisjeslegioen van Multatuli werd het jongenslegioen uit de vastgoed-sector voor Professor Pim. Even onmogelijk als Van der Capellen en Multatuli, wist hij ook de eenzaamheid te stileren als zijn persoonlijk offer aan de publieke zaak, van zijn sinds Pasen 1997 gladgeschoren hoofd tot de troost die slechts Kenneth en Clara hem konden bieden in de lege elegantie van het Palazzo di Pietro. Evenals bij Van der Capellen voorkwam zijn voortijdige dood de mogelijkheid iets zinvols te zeggen over hoe het verder zou zijn gelopen.

Wat valt er nu samenvattend te zeggen over deze drie zonen van het volk van Nederland? Dat is in de eerste plaats dat zij alledrie uitgingen van de gedachte dat een oligarchie zich meester had gemaakt van 'het volk van Nederland'. Met veel stilistisch geweld wisten zij deze clique een naam te geven: Willem V, Thorbecke, Kok/Melkert. Het is de vraag -die vrijwel onbeantwoordbaar is - of zij uit waren op politieke macht of al tevreden zouden zijn geweest met het ongedaan maken van het onrecht dat zij naar eigen mening hadden ondervonden.

Vervolgens kan worden vastgesteld dat alledrie zich in een onmogelijke positie hadden weten te manoeuvreren, veelal gehaat én onderschat door hun gelijken. Dat zij tegelijkertijd door omvangrijke groepen in de samenleving werden geliefd en overschat, was een schamele troost. Juist door de miskenning van mensen aan wier oordeel zij belang hechtten, zochten deze talentrijke verschoppelingen de arena der openbaarheid. Ze waren zo overtuigd van wat hen de waarheid en de werkelijkheid was, dat zij nog slechts heil zagen in het debat, dat immers niet anders kon aflopen dan in een ronde erkenning van hun gelijk. Geen van allen mocht proeven van de vreugde van dat gelijk. Maar opmerkelijk is wel dat zij na hun dood op hoofdlijnen het gelijk kregen waarvoor zij tijdens hun leven zo hardhandig én zo onhandig gestreden hadden. Het staatsbestel van de Republiek was in de jaren tachtig van de achttiende eeuw, in de woorden van Thorbecke, 'een stervenden, reeds halfontwortelde boom'. Van der Capellen doorbrak met luide stem het stilzwijgen dat rond dit ziekbed heerste. Ook Multatuli kreeg gelijk met zijn aanval op de uitbuiting van 'de Javaan', ook al zou het tot de eeuwwisseling duren voordat er langzaam een 'ethische politiek' tot stand kwam; de soevereiniteit werd pas in 1949 overgedragen. Moeilijker is het om nu reeds iets te zeggen over het effect van Fortuyn. Ongetwijfeld had hij gelijk met zijn analyse dat de politiek in ernstige problemen was gekomen, nu politieke partijen niet langer de verdeeldheid in de samenleving articuleerden, het parlement zijn centrale plaats in de natie aan het verliezen was en de staat zichzelf vooral in Gordiaanse knopen heeft weten te leggen. Maar de grootste verdienste van Fortuyn zal achteraf wellicht zijn dat het politieke debat weer in volle omvang en levendigheid is opgebloeid, hij heeft als het ware de slagader van de democratie gedotterd.

Geen van deze drie schrijvers/politici was de eerste die met zijn kritiek kwam, anderen waren daarin voorgegaan. Maar het bijzondere van deze drie schuilt in hun talent om hun persoonlijke kritiek te verbinden aan een algemene zorg voor de kwaliteit van onze samenleving. Tegelijkertijd kunnen we, vrees ik, tevreden zijn dat geen van deze drie werkelijk aan de macht kwam. Democratie draait weliswaar om verschil van mening, maar het grote gelijk gedijt veelal het best in eenzaamheid. Overigens, zo moet eerlijkheidshalve vermeld worden, werden zowel Demosthenes als Phokion door de Atheners gedwongen tot de gifbeker.

mailIcon print |