*

 

Iets te veel een kind naar het hart van Kuyper

Hans Goslinga − 14/02/04, 00:00

In 1875 riep de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper in de Kamer een weifelende minister op in de onderwijskwestie kleur te bekennen: 'Dare to be a straigh-out man, dare to stand alone, dare to have a purpose firm, dare to make it known'. Het haalde weinig uit, want twee jaar later was ook Kuypers grote tegenspeler in deze kwestie, de liberale leider Kappeyne van de Coppello, het gedraal van de minister beu. Als het kabinet in de schoolstrijd dan geen knoop kon doorhakken, moest het volk maar spreken. Kappeyne sprak hierbij met luide stem de Britse politicus Derby na: 'We will go to the country!' Engels was in die dagen kennelijk populair in Den Haag. Wat er van het leiderschap van Kuypers politieke nazaat Balkenende zo al kan worden gezegd, niet dat hij de neiging vertoont in zijn schulp te kruipen of onduidelijk is over zijn doeleinden en programma. Nee, hij is helemaal een kind naar Kuypers hart.

De voormalige GroenLinks-leider Paul Rosenmöller zei vijf jaar geleden in zijn Machiavelli-lezing dat politiek leiderschap moet zijn gebaseerd op moed en helderheid in het publieke debat. Een politicus moet laten zien waar hij staat en bereid zijn de dialoog met de burgers aan te gaan. Vanuit die notie leverde hij fundamentele kritiek op het paarse bewind, dat volgens hem de confrontatie uit de weg ging door sociale conflicten domweg te ontkennen of de samenleving voor te spiegelen dat vliegen in de randen van de nacht de slaap niet stoort, groei van het luchtverkeer en vermindering van milieuschade hand in hand kunnen gaan en schuin boren het Wad niet aantast.

Na de revolte van de burgers in 2002 is dikwijls beweerd dat niemand deze beweging had zien aankomen. Dat gold zeker voor de heftigheid, die onhollandse trekken vertoonde, maar de paarse politici zijn wel bijna doorlopend gewaarschuwd voor hun politiek van vermijding, zoals in 1999 door Rosenmöller. Het verschil met 1877 was dat de gevestigde politiek zo ziende blind en horende doof was, dat zij zelfs het initiatief uit handen gaf om, in de geest van Kappeyne, tijdig terug naar de burgers te gaan. Zijn twee jaar na die schokkende opstand de verbroken verbindingen tussen de politiek en de samenleving hersteld?

Een antwoord op die vraag kan voorzichtig positief zijn. Het kabinet heeft een belangrijke aanzet gegeven met een stevig en duidelijk programma, waarvan de herijking van de verhouding tussen staat en burger de harde kern is. Daarmee laat het een leiderschap zien dat richting geeft en tegelijk uitdaagt. Het grotere beroep op de eigen verantwoordelijkheid van burgers sluit aan bij twee belangrijke ontwikkelingen in het naoorlogse Nederland, de individualisering en de emancipatie, maar het wegvallen van de beschermende hand van de verzorgingsstaat roept ook weerstanden en zelfs angst op. Deze tegenstrijdige beweging bepaalt de politieke moeilijkheidsgraad voor het kabinet.

Om een ingrijpende verandering op gang te brengen is een grote vastberadenheid nodig, naast uiteraard een stevige en politiek coherente coalitie. Een krachtige inzet is nodig, in de wetenschap dat het in een veelstromenland als het onze, met een grote invloed van werkgevers en vakbeweging, moeilijk is grote stappen te doen. Voor een daadkrachtig politicus die de bakens wil verzetten is dat frustrerend, maar hij zal met deze omstandigheid moeten rekenen. Tegelijk doet hij er goed aan acht te slaan op de gevoelens van mensen die in een kwetsbare positie verkeren. De les die Fortuyn aan de gevestigde politiek leerde, was niet alleen dat zij meer daadkracht en duidelijkheid moest tonen, maar ook de alledaagse zorgen en problemen van burgers moest onderkennen.

De schrijfster Connie Palmen zei onlangs in het tv-programma 'Buitenhof' dat Fortuyn met zijn ageren tegen de immigratie de mythe van onze nationale tolerantie aan diggelen heeft geslagen. Dat is nog maar de vraag. Het kan ook zo zijn dat onze politici te lang gemakzuchtig op die mythe hebben geleund en daarom geen oog hebben gehad voor de burgers die zich door de immigratie vervreemd van hun eigen omgeving, overlopen of bedreigd voelden. Toen Fortuyn die gevoelens herkende en voor het eerst in het publieke debat verwoordde, werd dat als niet minder dan een bevrijding ervaren. De ganse natie was er getuige van dat de lijkwagen met het lichaam van Fortuyn in mei 2002 werd toegejuicht zoals de Canadese soldaten in mei 1945.

In het leiderschap van Balkende is tot nu toe de les van de daadkracht en de duidelijkheid zichtbaarder dan die andere les. Hij beantwoordt, anders gezegd, iets te veel aan de geest die Kuyper in 1875 in de Kamer liet spreken. Soms slaat hij daarin zelfs een beetje door, zoals onlangs op een CDA-bijeenkomst in Lelystad toen hij naar aanleiding van de druk op het asielbeleid zei 'dat niemand van hem kan zeggen dat hij ooit door de knieën is gegaan'. Iets meer relativering, gewoon een portie alledaagse wijsheid, zou zijn politieke vastberadenheid juist meer relief geven. Nu zit er iets krampachtigs in.

De relativering is een machtig wapen in de politiek. De politicus die in staat is enige afstand van zichzelf en zijn boodschap te nemen schept ruimte voor tegenspraak en laat zien dat hij de burgers serieus neemt. Deze eigenschap brengt hem dichtbij bij de hartslag van de samenleving. Een gaaf voorbeeld leverde eind jaren zestig premier Piet de Jong, de oud-onderzeebootcommandant. Een Vara-verslaggever vroeg hem wat hij vond van pornografie, een in die tijd gewaagde vraag. De Jong antwoordde: 'Een uitstekend middel tegen zeeziekte'. Zoiets wekt vertrouwen, omdat de bestuurder met een grap of een knipoog toont dat hij meester is van de situatie. Balkenende zou iets meer kind naar het hart van Piet de Jong moeten zijn.

mailIcon print |