*

 

De heilige roomse mis als een vorm van theater

Peter Henk Steenhuis − 14/02/04, 00:00

,,Ik houd van fysieke ervaringen. Ik vind die onmisbaar. Ik houd van het kijken, het horen, het voelen en het proeven zelf, ook zonder dat het almaar verwijst naar iets anders.'' Schrijver Hans Maarten van den Brink stelt maandag in de Frans Kellendonk Lezing de vraag of de wereld letterlijk kan worden opgevat, of begrepen moet worden als een grote vergelijking.

Kunst en geloof komen elkaar nog al eens tegen. Bijvoorbeeld bij de vraag hoe je verhalen moet interpreteren. Staat er wat er staat, of is het zinniger een bijbelverhaal, een literair meesterwerk, een beeldhouwwerk, een schilderij te zien als een vergelijking die wel naar de wereld verwijst maar niet letterlijk is te nemen?

Een onschuldige vraag, zo lijkt. Maar voor je het weet zit je midden in eindeloze godsdiensttwisten. De vraag naar de letterlijkheid voert namelijk terug naar de dag waarop Jezus in de synagoge van Kafarnaüm bekend maakte dat hij het brood des levens is. En hij bezweert zijn toehoorders deze uitspraak letterlijk te nemen: ,,Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.''

Weinig uitspraken van Jezus hebben zoveel stof doen opwaaien als deze. Stuitende taal, zo vonden de toehoorders destijds. En zo'n vijftien eeuwen later, ten tijde van de Reformatie, werd de leerstelling van de werkelijke tegenwoordigheid onderwerp van een historische geloofsstrijd. Alleen de rk kerk hield vast aan de letterlijkheid van het sacrament des altaars; de protestantse geloofsrichtingen beschouwen het brood en de wijn als een vergelijking of een metafoor, of een verwijzing naar het lichaam van Christus.

Op het concilie van Trente in 1551 werden de roomse opvattingen voor eens en voor altijd vastgelegd in het dogma van de transsubstantiatie.

,,Een dogma van grote schoonheid,'' zegt de schrijver Hans Maarten van den Brink, die maandag in de Frans Kellendonk Lezing opnieuw de vraag stelt of de wereld letterlijk kan worden opgevat, of begrepen moet worden als een grote vergelijking.

Van den Brink heeft Kellendonk (1551-1990) een aantal keren ontmoet. Zo maakte hij na het verschijnen van de roman 'Mystiek Lichaam' een geruchtmakend interview met de schrijver over de achtergronden van het verhaal, die vervolgens als de 'werkelijke bedoelingen' werden opgevat. ,,Maar ik ben Kellendonk voor het eerst tegengekomen bij de presentatie van het boek 'Over God', in 1985. Dat boek maakte destijds nogal wat los. Het was de eerste keer dat een aantal jonge schrijvers een Godsbeeld presenteerde dat niet vooral werd gekleurd door negatieve ervaringen in hun jeugd. Frans Kellendonk, Oek de Jong, en ook enkele anderen durfden te zeggen dat zij religie niet zagen als een probleem, maar als een interessant onderwerp waarover het goed was na te denken.''

Het oeuvre van Kellendonk is doorspekt met verwijzingen naar de Bijbel, en ook in zijn essays heeft hij geprobeerd de kern van zijn geloof of ongeloof te pakken te krijgen. Bijvoorbeeld in zijn laatste boekje, een bundeling van drie lezingen onder de titel 'Geschilderd eten'. Het gaat over de 'Altaergeheimenissen' van Joost van den Vondel, een leerdicht uit 1645, dat gezien wordt als de bezegeling van Vondels overgang naar de kerk van Rome.

Van den Brink: ,,Toen ik werd uitgenodigd voor de Frans Kellendonk Lezing wilde ik aanvankelijk spreken over metaforen en vergelijkingen. Vervolgens pakte ik het werk van Kellendonk weer eens op en ontdekte tot mijn verbazing dat ik 'Geschilderd eten' niet eerder gelezen had.''

,,Nog veel verbazingwekkender vond ik het dat Kellendonk zich daarin uitsprak over de transsubstantiatie, een thema waar ik zelf ook al een tijd mee bezig was. Zoals me al vaker bij hem gebeurd is, stuitte ik tijdens het lezen op gedachten waarvan ik hoopte dat ik ze zelf ontwikkeld had. Helaas was hij vijftien jaar eerder.''

,,In 'Geschilderd Eten' maakt Kellendonk een mooie vergelijking tussen de kunst en het geloof. Kellendonk zegt, dat het geen kwaad had gekund als ze daar in Trente ook eens naar de esthetische kant van het geschil over de letterlijkheid hadden gekeken.''

,,De heilige mis mag je best zien als een vorm van theater. En dan maakt het toch nogal een verschil of - in een voorbeeld dat Kellendonk geeft - Pierre Bokma Prins Hamlet is, of speelt. Als het goed is, dan kun je Pierre Bokma niet meer zien door de Hamlet die voor je op het toneel staat. Het is dan ook nogal flauw om tijdens de voorstelling koppig vol te houden: 'Die Hamlet, dat is eigenlijk Pierre Bokma'. Of: het is Pierre Bokma die verwijst naar Hamlet. Zo ook met de priester die op het meest dramatische ogenblik van de eucharistie de rol van Christus op zich neemt en zegt: 'Dit is mijn lichaam' en 'Dit is de kelk van mijn bloed'. Dat is dan niet zo maar een verwijzing naar het lijden: hij maakt die woorden op dat moment waar.''

,,Tuurlijk, de meeste kunstwerken slagen er niet in om je een ware ervaring te bezorgen. Maar wanneer je ze reduceert tot een parabel, tot hun uitleg, misken je de protentiƫle kracht van kunst. Denk trouwens nu niet dat het mij om realisme te doen is, dan zou Pierre Bokma zich goed moeten verkleden om je te doen geloven dat hij Hamlet is. Dat is niet nodig, dat Bokma Hamlet is, is een ervaring die niets met een pruik of een baard van doen heeft. De uiterlijke kenmerken blijven ongewijzigd. Bokma blijft er uitzien als Bokma, zoals het brood brood blijft - de katholieke kerk ontkent dat ook niet.''

,,Of Kellendonk werkelijk geloofde in de transsubstantiatie betwijfel ik. Hij heeft zijn geloof een oprecht veinzen genoemd. Hij had het over een leemte in de schepping waar God, als hij zou bestaan, goed in past.''

,,Die leemte kom je uiteindelijk ook tegen wanneer je kunst probeert te verklaren. Ik waag het te veronderstellen dat het misschien wel dezelfde leemte, hetzelfde raadsel is. Maar weten doe ik dat natuurlijk ook niet.''

,,Kellendonk was niet gelovig, want tussen veinzen en geloven gaapt een gat. Ik wil niet zeggen dat ik dat wel ben. Ik ben net zo'n zondaar en net zo'n twijfelaar. Wel is het zo dat ik veel minder academisch ben dan hij was. Ik heb een vrij hevige anti-intellectualistische inslag - dat zal mijn katholieke achtergrond wel zijn.''

,,Ik houd van fysieke ervaringen. Ik vind die onmisbaar. Ik houd van het kijken, het horen, het voelen en het proeven zelf, ook zonder dat het almaar verwijst naar iets anders. Ik ervaar die, zeg maar, protestantse manier van denken als een reductie. Vandaar dat ik in de Frans Kellendonk Lezing het belang van beeldspraak relativeer en pleit voor het waarderen van beelden op zichzelf. Voor zien in plaats van uitleggen. Want het woord moet ook vlees worden. Dat geldt voor religie net zo goed als voor kunst.''

mailIcon print |