Ontwikkelingssamenwerking leidt niet altijd tot grote successen. Maar het is te makkelijk om internationale hulp af te doen als overbodig. We hebben als rijk land nog steeds de verantwoordelijkheid de wereld voor ieder leefbaar te maken.
Lange tijd gold ontwikkelingssamenwerking in Nederland als nobel en nastrevenswaardig. De liberalen wilden nog wel eens mopperen over zoveel goedgevigheid, maar in de regel konden confessionelen en sociaal-democraten het op dit punt goed met elkaar vinden. De christen-democraten beriepen zich op naastenliefde, charitas en ook wel een beetje op schuld om zoveel eigen rijkdom, de sociaal-democratie op international solidariteit en de noodzakelijke bestrijding van de wereldarmoede.
Het toneel tijdens de begrotingsbehandeling begin december was dan ook bizar. Uitgerekend coalitiegenoot VVD stal de show met een frontale, zij het flinterdun onderbouwde aanval op de uitgangspunten van het beleid. De suggestie van Ayaan Hirsi Ali was niet minder dan dat we er met z'n allen net zo goed mee op konden houden.
Het begint er op te lijken dat alleen nog ontwikkelingsdeskundigen en een kleine groep van ingewijden overtuigd zijn van nut en noodzaak van internationale hulp. Hirsi Ali staat niet alleen. De Leidse hoogleraar geschiedenis, P.C. Emmer, liet eerder dit jaar al een eender geluid horen. Een beetje bestudering van Europa's eigen sociaal-economische historie en wat kennis van het dekolonisatieproces zijn volgens Emmer voldoende om de zinloosheid van ontwikkelingswerk in te zien. Ook de Zwitserse antropoloog David Signer doet zijn best om het failliet aan te tonen van een branche die aan zijn eigen goede bedoelingen ten onder gaat (Letter & Geest, 20 december). Aan de hand van donorinspanningen in het West-Afrikaanse Benin doet Signer en passant de hulp in geheel Afrika -een continent met meer dan 50 landen- als hopeloos af.
Waarom is het plotseling bon ton om ontwikkelingssamenwerking neer te zetten als passé? En waarom veranderen schrandere wetenschappers, die op hun eigen vakgebied met grote zorgvuldigheid tot de meest voorzichtige conclusies komen, op het terrein van ontwikkelingssamenwerking plotseling tot roekeloze populisten die geen generalisering uit de weg gaan?
Ik heb er een paar verklaringen voor. In de eerste plaats past de hand in eigen boezem. De ontwikkelingswereld is een kleine kliek van getrouwen. 'Verontruste ontwikkelingsdeskundigen' vinden het belangrijker een interne brief te sturen aan minister Agnes van Ardenne en deze in kleine kring door te exerceren in de veilige omgeving van een Haags opleidingsinstituut dan de confrontatie aan te gaan met derden. Ontwikkelingswerkers zijn 'experts' die het allemaal erg goed weten en die verzot zijn op hun eigen jargon. Daar kan de frisse wind van Hirsi Ali helemaal geen kwaad.
In de tweede plaats weet de gemiddelde 'deskundige' nauwelijks meer uit te leggen waar het heel simpel om draait. Voor je het weet krijg je een les in de beginselen van 'goed bestuur', 'ownership' of de strategische elementen van een duurzaam nationaal armoedebestrijdingprogramma. Daar begrijpt geen mens meer wat van.
Daarnaast is een technocratisch beleid mede debet aan de malaise. Zo bepaalde Evelien Herfkens tijdens haar bewind dat wij niet langer deskundigen mochten uitzenden naar de Derde Wereld. Want dat was patriarchaal, het zou de afhankelijkheid van ontwikkelingslanden alleen maar vergroten. De betreffende personeelsdienst op het departement, met tientallen jaren ervaring, werd eenvoudigweg gesloten. Het Zuiden zou voldoende capaciteiten hebben om zijn eigen mensen op te leiden, zo heette het. Alsof ze het daar ineens voor elkaar hadden. Ik twijfel niet aan de dikte van de evaluatierapporten die Herfkens beleidskeuze onderschrijven, maar het is een voorbeeld van technocratisch beleid dat in kleine kring wordt voorbereid en in nog kleinere kring wordt begrepen. Dat is funest voor het draagvlak van ontwikkelingssamenwerking.
Natuurlijk en zeker niet in de laatste plaats draagt het relatieve gebrek aan aansprekende successen bij aan een negatieve stemming. Zuidoost-Azië maakt weliswaar grote sprongen voorwaarts. In Vietnam zijn het afgelopen decennium meer dan 30 miljoen mensen aan bittere armoede ontsnapt, mede door goed bestede hulp. In Oeganda is een moordende hiv/aids-epidemie op zijn retour. In Midden-Amerika zijn klinkende resultaten geboekt in conflictbemiddeling en het bevorderen van de democratie. Maar wereldwijd moeten nog steeds meer dan een miljard mensen rond zien te komen van minder dan 80 eurocent per dag. Jaarlijks sterven 3 miljoen mensen aan de gevolgen van aids. Tuberculose maakt 2 miljoen slachtoffers per jaar, terwijl er al vijftig jaar een kuur bekend is die voor 10 dollar kan worden aangeschaft.
In het licht van de overweldigende problemen en de tegenslagen is de verleiding groot om maar door te somberen en onvoldoende aandacht te besteden aan de bescheiden successen. Moeten we er dan maar mee ophouden? Nee, het zou een schandelijke aftocht betekenen. Hulp geven is complex. Niet zelden liggen er structurele struikelblokken ten grondslag aan het gebrek aan vooruitgang. De voorbeelden zijn legio. Een van de hoofdredenen van het gebrek aan economische vooruitgang in Benin, iets waaraan David Signer geheel voorbij gaat, is de katoensubsidie van de Verenigde Staten aan zijn eigen telers. Het land van het vrije handelsevangelie geeft jaarlijks meer uit aan katoensubsidies dan aan de totale internationale hulp aan West-Afrika. Gevolg is dat Benin nog steeds geen stuiver kan verdienen aan één van zijn hoofdexportproducten. Als we een blik op de Nederlandse weilanden werpen, zien we dat onze melkveestapel jaarlijks meer subsidie ontvangt dan de Afrikaanse boeren door eigen noeste arbeid kunnen verdienen. En dan hebben we het nog niet over tabak en suiker.
Dat is de schrijnende wereld waarin wij leven en we hebben een niet aflatende verantwoordelijkheid om die wat leefbaarder te maken voor al zijn bewoners. Zeker als we zelf tot de mondiale top tien verdieners behoren.
Agnes van Ardenne kan veel worden aangewreven. Een abrupte reductie in het aantal landen waarmee wij samenwerken bijvoorbeeld. Of een verbijsterende totale stopzetting van de steun aan het VN Vrouwenfonds. De introductie van bedenkelijk neoconservatief jargon als 'meer markt, minder overheid' zonder daar concrete inhoud of vorm aan te geven. Maar zij heeft wel een einde gemaakt aan het autoritaire beleid van Herfkens en Pronk die altijd overtuigd waren van het eigen specialistische gelijk. Van Ardenne drukt zich eenvoudiger uit en spant zich zichtbaar harder in om brede geledingen van de samenleving bij haar beleid te betrekken. Zij had een betere begrotingsbehandeling verdiend dan de groteske aanval van Hirsi Ali toeliet. Wij zijn niet gebaat bij een karikaturale schets van het ontwikkelingsbeleid, wel bij een pittig en constructief debat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.