*

 

Luxemburg

Jean Portante − 20/03/04, 00:00

25 lidstaten zal de Europese Unie tellen na 1 mei. Sommige leden kennen we van nabij, anderen alleen van een afstand. In ieder land werd een schrijver gevraagd een portret te maken van zijn land, in tien vaste punten. Op weg naar de uitbreiding wekelijks in de Verdieping een zelfportret van een EU-staat. Na 1 mei volgen de nieuwe EU-leden.

Jean Portante is in 1950 geboren in Differdange, midden in de ijzermijnstreek van Luxemburg. Zijn ouders zijn Italiaanse immigranten. Hij schrijft in het Frans en woont tegenwoordig in Parijs. Hij is vooral dichter, heeft ook proza geschreven, en werkte ook als vertaler en journalist. Hij heeft een twintigtal boeken geschreven - poëziebundels, verhalen, toneelstukken en scenarios, artikelen en romans. Zijn boeken zijn in het Spaans en Italiaans vertaald. Hij wordt veel geprezen om zijn vertalingen van Luxemburgse schrijvers in het Frans. Hij is lid van de Académie Europeénne de Poésie en is redacteur van de literaire bijlage Livres van de krant Tageblatt.

Luxemburg

Staatsvorm: constitutionele monarchie

Staatshoofd: groothertog Henri (sinds 2000)

Regeringshoofd: premier Jean-Claude Juncker

Oppervlakte: 2586 vierkante kilometer

Bevolking: 454.200 inwoners

Hoofdstad: Luxemburg (76.000 inwoners)

Taal: Letzeburgs, Duits, Frans

Religie: 87 procent is rooms-katholiek

Geografie: Het noordelijk gedeelte wordt gedomineerd door een hoog plateau, bedekt met bossen. Het hoogste punt is de Bourgplatz van 559 meter. In het zuiden ligt het vruchtbare Gutland met zijn vele riviertjes en landbouwgrond.

Economie: Sinds de jaren zestig is Luxemburg bekend als internationaal financieel centrum. Na Londen en Frankfurt staat het op de derde plaats in Europa. Een groot deel van de bevolking is werkzaam in de bankwereld.

Munt: euro

Bruto binnenlands product: 16 miljard euro

BBP per inwoner: 32.000 euro

1 Het schilderij

William Turner: Gezicht op de stad Luxemburg (1834)

Omstreeks 1834 verbleef de Engelse schilder William Turner korte tijd in Luxemburg. Als souvenir maakte hij een aantal aquarellen. Eén daarvan is achtergebleven in het Groothertogdom en bevindt zich in het nationale museum voor geschiedenis en kunst. Turner die in die tijd al bezig is de ruimte in zijn schilderijen van alle materie te ontdoen, is in dit schilderij slechts geinteresseerd in de details. Daarom herkent men de bijzondere vorm van de stad, met zijn steile valleien, zijn buitenwijken en zijn versterkingen, die toen al voor een deel ingestort waren. Maar het geheel is nog steeds indrukwekkend, herinnert aan het verleden van het onneembare Luxemburg, met de bijnaam Gibraltar van het noorden. Door de speciale kleuren lijkt alles een andere vorm aan te nemen, waar vloeiende overgangen en scherpe tekeningen met elkaar in gesprek zijn. Alsof een flard Londense mist van verre binnen komt rollen om de contouren wazig te maken en Luxemburg een nieuwe atmosfeer te geven.

2 De foto

De laatste tramrit, 6 september 1964

De tram bestaat niet meer in de stad Luxemburg. Met duistere argumenten, zoals een gebrek aan rentabiliteit en concurrentie maakten de besluitvormers een eind aan het tramtijdperk. De begrafenisplechtigheid was groots en pompeus. Geen karakteristieke beugels en elektrische kabels meer, maar bussen met hun vergiftigende uitlaatgassen. Nu hebben we er spijt van. En over veertig jaar keren die trams misschien wel weer terug. Tenminste als de autofanatici dat niet tegenwerken.

3 De persoon

Charly Gaul, winnaar van de Tour de France van 1958

Als er één Luxemburger is die van zich heeft laten spreken in de wereld, dan is dat wel Charly Gaul. Het is 20 juli 1958. Alle Luxemburgers zitten aan de televisie gekluisterd, vooral in de cafés, want een tv-toestel thuis is dan nog zeldzaam. Gaat Charly Gaul de Tour de France winnen? In de bergen moeten de concurrenten van deze geboren klimmer genoegen nemen met het stof van zijn achterwiel. De spanning is voorbij als de kampioen op het podium van het Parc des Princes klimt, met de gele trui om zijn schouders. Na Fausto Coppi, Jacques Anquetil en anderen heeft Charly Gaul zijn plaats ingenomen in de Tourlegende. Zo zelfs dat Roland Barthes aan hem een hoofdstuk wijdde in zijn boek 'Mythologies'.

4 Het ding

Het Letzeburgs

De taal van de Luxemburgers heet Letzeburgs en is inderdaad een opmerkelijk ding. Als Frankisch dialect werd de grammatica pas vastgelegd in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Als nationale taal heeft zij twee officiële talen als rivaal: het Duits en Frans, dat wordt gesproken door dezelfde mensen in hetzelfde land. Dat betekent dat iedere Luxemburger in feite drietalig is. Door de immigratie, vooral uit de latijnse wereld, is het Frans de tweede spreektaal geworden. Curieus is dat het Letzeburgs nauwelijks op school wordt geleerd, het wordt overgedragen van de ene op de andere generatie. Andere curiositeit: bijna 40 procent van de bevolking van het Groothertogdom komt uit het buitenland. Zij heeft het Letzeburgs in avondonderwijs moeten leren. De buitenlanders zijn dus de enigen die het hebben moeten leren spreken, lezen en schrijven...

5 De tekst

'Calamités d'un petit combat pour l'acces à la mer' van Guy Renewig in 'Frontière belge- Histoires d'eaux' (Le Castor Astral, 1998)

De schrijver Guy Renewig wist in zijn boeken altijd de vinger op de zere plek te leggen. Hij beschrijft het Groothertogdom als een landje dat is opgesloten in zijn kleingeestigheid en zijn grote illusies. Volgens hem leidt het groteske tot extremiteiten. In 'Calamités d'un petit combat pour l'acces à la mer' beschrijft Renewig de droom van de Luxemburgers om een stukje strand te bezitten. Het is een kinderlijke droom, die de volwassenen, en vooral de politici tot een nachtmerrie verheffen als zij besluiten om hun land te maken tot een tweehonderd meter brede strook die loopt van het huidige Luxemburg naar de Vlaamse kust.

6 De muziek

De Hümmelsmarsch (De schapenmars) van Michel Lentz

(Een deel in het letzeburgs)

'T am Kirmesdag an eng Gei jéngt muerges an der Gaas

'T jeitzt eng Klarinett an 't brommt eng schaddreg Bass,

An Hümmel gin derbei mat Benn a Fletschen un,

Blénkeg zënne Plett'len an der Rei sin hannendrun, sin hannendrun;

(Refrein) An d'Kanner lossen hire Kaffi ston Fir dénen schéinen Hümmel nozegon Wou d'Musek ass déi spilt sou löschteg d'Gaassen an,

Fir bei all grouss Hüren an der Stad hir Ronn ze ma'n, hir Ronn ze ma'n.

De muziek van deze mars klinkt nog in mijn oren, als van een dorpsfanfare die een beetje vals speelt. Vijf slagen op de grote trom aan het begin, gevolgd door de koperblazers: tatatata ta ta... Het gaat om een heel simpele melodie die steeds opnieuw wordt gespeeld bij de 'kermesses', zoals de jaarlijkse marktfestiviteiten heten. Het kind dat de melodie nu nog steeds hoort associeert het met paardjerijden en suikerspin op de kermis. De traditie wil - en wordt steeds weer nieuw leven ingeblazen - dat je door de straten loopt met een schaap aan je zijde. Vandaar de naam van dit stuk muziek.

7 Het gedicht

Dieu

je t'appelle

comme si tu existais

Descends de ta croix

il nous faut des bûches

pour nous chauffer

Anise Koltz, in Chants de refus, Editions PHI

(Letterlijke vertaling: God, ik roep je, alsof je bestaat. Daal af van je kruis, we hebben brandhout nodig om ons te verwarmen.)

De Grande Dame van de Luxemburgse poëzie, Anise Koltz (geboren in 1928) volgde dezelfde linguistische weg die de literatuur van het Groothertogdom meemaakte. Tot 1973 schreef zij in het Duits, en soms in het Letzeburgs; daarna begon zij plotseling in het Frans te schrijven. En dat doet zij nu nog. Maar haar Frans is kernachtig, alsof het Duits steeds in haar voortleeft. De kracht van haar gedichten komt daar uit voort. Toen zij het Duits de rug toekeerde dacht zij aan de taal van Hitler en aan de nazi-bezetting. Toen zij het Duitse gevoel liet doorschemeren in haar gedichten verwees ze daarmee naar Goethe. Een van haar thema's is haar afwijzing van God en het katholieke geloof. En dat in een land waar het katholicisme staatsgodsdienst is.

8 Het gerecht

De Fierkelsjelli (speenvarken in gelei))

Alles wat aan het varken zit is goed, zo zegt men in Frankrijk, ook al dient het dier in leven tot niets. Wat er ook van waar is, de Luxemburgers hebben in hun eigen keuken hun potten en pannen opengesteld voor het varken. Boutjes, gepaneerde varkenspootjes, ingezouten varkensvlees of varkenskaken getuigen hiervan. Maar tussen al die nationale dissen is er de Fierkelsjelli (het speenvarken in gelei) dat de eerste prijs verdient. Het is een mengsel van delen van de kop en de poten van het jonge varkentje, aangevuld met prei, selderij, uien, wortels, laurier, kruidnagelen, en niet te vergeten witte Moezelwijn. Fierkelsjelli staat aan de basis van de Luxemburgse plattelandskeuken.

9 De plaats

De Thillenbergmijn in Differdange

Het zuidelijk deel van het Groothertogdom is wel het land van de rode aarde. De hele twintigste eeuw haalden we daar ons ijzer vandaan, voedden daarmee onze ijzerindustrie, de ruggengraat van de Luxemburgse economie tot in de jaren tachtig. Een van die mijnen, Thillenberg in Differdange, mijn geboortestad, vertelt het dubbele verhaal van het land: dat van de welvaart, maar ook van de immigranten die werk kwamen zoeken. Vooral Italianen kwamen massaal om zich als arbeider te verkopen, vaak ten koste van hun leven. Zij zorgden mede voor de rijkdom van het land, waar we nu in het begin van de 21ste eeuw nog van profiteren. Nu nog steeds heeft een van de staalgiganten van de wereld, Arcelor, zijn zetel in Luxemburg.

10 De gebeurtenis

De deling van Luxemburg in 1839.

Het Luxemburg van nu is ontstaan in 1839, zo vertelt de officiële geschiedenis. Eerlijk gezegd, zou 1839 een droevig jaartal moeten zijn voor de Luxemburgers. Toen werd het land verdeeld, een vooral Franstalig deel kwam bij België, als Belgisch Luxemburg. De geschiedenis van het land begint dus met een amputatie. Men zou zich een beter begin kunnen voorstellen.

mailIcon print |