*

 

Zelf dichter worden. Hoe doe je dat?

door IRIS PRONK − 16/06/04, 00:00

Hij voelt zich helemaal geen dichter, zegt debutant Joep Kuiper (22). ,,Ik zou ook niet weten hoe dat moet voelen.'' Volgens recensenten maakt hij de grootste kans op de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut, die vanavond in Rotterdam wordt uitgereikt. Maar Kuiper is helemaal niet zenuwachtig, hij is überhaupt niet zo bezig met zijn eigen poëzie. Sinds de verschijning van zijn bundel 'Monarchieën' in september vorig jaar schrijft hij eigenlijk nauwelijks meer: ,,De lust is mij een beetje ontnomen, waardoor is mij een raadsel. Ik léés nu liever.''

Ook Saskia de Jong (30) leest graag poëzie: ,,Het is een soort dyslectisch lezen, omdat je je in het begin vaak in de betekenis vergist. Ik zie poëzie lezen als het onder de knie krijgen van een andere taal.'' Maar anders dan Kuiper voelt zij zich wél dichter, ook als ze niet leest of schrijft maar rondjes door het park loopt. Dichter zijn is geen beroep, vindt De Jong, die met haar bundel 'zoekt vaas' voor de Buddingh'-prijs genomineerd is: ,,Het is meer een soort lifestyle. Ik kan mezelf heel vaak verkopen dat ik aan het werk ben. Terwijl andere mensen dan denken dat ik op een terrasje zit.''

Dichter zijn op een terrasje, dat is natuurlijk een aantrekkelijk beeld. Maar geld levert het niet op en dus moeten dichters er ook iets naast doen. Kuiper is derdejaarsstudent Frans en woont nog bij zijn ouders thuis. Op zaterdag brengt hij de post rond in Amersfoort: ,,Dan heb ik veel tijd om na te denken.''

De Jong heeft ook al een atypische carrière voor een dichter: voorheen was zij model in Parijs en Milaan en nu werkt ze drie dagen per week bij een impresariaat. Woensdag en donderdag zijn haar 'dichtdagen', dan loopt ze dus door het park, poetst ze haar Amsterdamse huis en probeert ze 'naar binnen te keren'. De juiste schrijfstemming is 'een soort trance': ,,Er moet een hoop shit en onzin weggedrukt worden om te proberen interessante gedachten te hebben.''

Poëzie schrijven, interessante dingen denken, dichter zijn, voor de leek zijn het abstracte activiteiten. Het gedicht zelf is al ongrijpbaar, met die schaarse woorden op witte pagina's, losse regels die samen moeten frapperen en intrigeren. Maar hoe komen die regels daar? Hoe maak je een goed gedicht en hoe word je dichter?

Bas Belleman (26) -werkzaam als journalist- vindt dat maar gênante vragen. Goed, ook zijn bundel 'Nu nog volop ventilatoren' dingt vanavond mee naar de debutantenprijs. Maar dat maakt hem nog lang geen volleerd dichter: ,,Het is alsof ik de kwartfinale van het juniorentennistoernooi heb gewonnen en nu moet vertellen of ik liever op gravel of op gras speel. Dat kun je toch beter aan de topspelers vragen.'' Maar toch is zijn poëziebundel de jury wél opgevallen in de nieuwe oogst, die dit jaar uit zo'n 25 bundels bestaat. Terwijl de meeste dichters -hoe serieus ze ook schrijven en schaven- hun poëzie niet eens in druk zien verschijnen.

Anders dan haar drie concurrenten had kunstenares Maria Barnas (30) al ervaring met debuteren. Eerder verschenen er twee romans van haar hand: 'Engelen van ijs' (1997) en 'Baadster' (2000). Haar nu genomineerde poëziedebuut 'Twee zonnen' verscheen pas vorig jaar, maar de bundel bevat gedichten waaraan ze soms wel tien jaar werkte: ,,Poëzie is de basis van alles wat ik doe.'' Pas als zij iets niet in een gedicht kan 'oplossen', zoekt Barnas naar een andere vorm: dan gaat ze een verhaal schrijven of een beeldend kunstwerk maken. Poëzie is al heel lang een belangrijke kracht in haar leven: ,,Je hebt er maar mee te dealen, het is niet iets wat je per se kiest.'' Alleen was ze er eerder nog niet van overtuigd dat haar gedichten goed genoeg waren.

Wanneer is een gedicht wel klaar, af en goed genoeg? Voor een beginnende dichter is dat de grote vraag. Want daar staan ze dan, die zorgvuldig gekozen woorden en die scherpe zinnetjes -maar zijn ze ook echt góed en noodzakelijk, niet veel te willekeurig of te cliché? ,,Het is pas een goed gedicht als het me ergens toch ontglipt'', zegt Barnas. ,,Het moet voor mezelf ook nog interessant zijn om te lezen.'' Eén zin is op zichzelf niet zoveel, maar in het 'spanningsveld' van het gedicht, te midden van de andere zinnen, moet die wel betekenis krijgen. En dan liefst geen eenduidige, want dat is saai: poëzie is klank en ritme, muziek van taal, een puzzel die nooit helemaal wordt opgelost.

Ook Kuiper probeert zijn eigen gedichten te testen als lezer. Een goed gedicht heeft geen concreet onderwerp en is open voor verschillende interpretaties, vindt hij: ,,Dan heb je als lezer het idee dat je ook iets dóet. Dat vind ik zelf leuk als lezer: dat het gedicht niet kant en klaar voor je ligt. Dat die betekenis ook een deel van jou is.'' En daarom schrijft hij zangerige, niet direct begrijpelijke regels als: ,,Ik zeg een geur van teken in mijn oog de / teek binnen mijn oog de steen / rondom mijn mond rond rood / maar ik kus mijn oog de grond / en ik kijk het [...].''

Het begin van een gedicht is vaak een zin, een droom of een ervaring, zegt De Jong: ,,Iets uit het niets forceren, dat zal me niet zo gauw lukken.'' Flarden van zinnen vindt ze overal, op een krantenpagina of in een recept: ,,Ik heb de neiging om alles wat ik tegenkom Oost-Indisch te lezen.'' Die woorden komen dan bijvoorbeeld in deze regels terecht: ,,welnu het schrijnt mij / mij, gevaar der tweemanskabinetten / dat jij beroert blind van het letten / op details, mijn poeslief negatief is zoek [...].''

Jonge dichters die zelf willen debuteren, hebben misschien iets aan deze adviezen. Kuiper: ,,Je kunt het beste beginnen met pen en papier en een haast leeg hoofd. En dan simpelweg gaan schrijven, zonder vast onderwerp, je concentreren op die zinnen.'' De Jong: ,,Vind iemand die in je gelooft. Klamp je vast aan eenieder die verstand heeft van poëzie.'' Zelf is ze goed bevriend met dichter Pieter Boskma, die haar bij zijn redacteur introduceerde. En Belleman heeft een waarschuwing: ,,Bestrijd iedere zelfgenoegzaamheid, want daar komen luie zinnen uit voort.''

Barnas geeft les op de Rietveldacademie in het schrijven van poëzie. Ze adviseert haar studenten onder meer om alert te zijn en zoveel mogelijk te noteren in een schriftje: ,,Wat mij altijd heeft geholpen is: alle ideeën zonder schaamte op te schrijven.''

Poëzie is bepaald niet vrijblijvend voor deze vier debutanten. Bloedserieus zijn ze, al probeert De Jong haar eigen werk ook te relativeren: ,,Ergens is er toch een heel klein geultje met ambitie en daar is dat dichterschap uit naar voren gekomen.'' Maar intussen: ,,Ik weet eindelijk wat ik wil worden in mijn leven: dichter.''

mailIcon print |